Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, dat op 24 april 2024 werd gewezen. De verdachte, geboren in 1965, was in hoger beroep gegaan tegen een eerdere veroordeling voor diefstal en mishandeling van een ambtenaar. Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, omdat zij afstand had gedaan van rechtsmiddelen. De verdachte stelde dat zij geen afstand had gedaan van het hoger beroep, dan wel dat zij niet begreep dat zij dat deed. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte verworpen.