ECLI:NL:HR:2026:116

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
25/03473
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering van Mexicaanse nationaliteit naar Verenigde Staten t.z.v. computervredebreuk, oplichting en witwassen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende de uitlevering van een Mexicaanse nationaliteit aan de Verenigde Staten. De opgeëiste persoon wordt verdacht van het medeplegen van computervredebreuk, oplichting, witwassen en het ter beschikking stellen van reisdocumenten aan anderen. De rechtbank Noord-Holland had op 17 juli 2025 de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar de verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon mogelijk ook voor andere strafbare feiten zou worden vervolgd dan die in het uitleveringsverzoek zijn opgenomen. Dit zou in strijd zijn met het specialiteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 15.1 van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten. De Hoge Raad oordeelde dat de rechter die oordeelt over de toelaatbaarheid van de uitlevering in beginsel niet kan ingaan op de vraag of de opgeëiste persoon na uitlevering zal worden vervolgd voor andere feiten. Dit oordeel kan alleen anders zijn als er voldoende onderbouwd verweer is dat aantoont dat de opgeëiste persoon door uitlevering zal worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op zijn rechten zoals gewaarborgd door het EVRM en IVBPR. De Hoge Raad verwierp het beroep van de opgeëiste persoon, waarbij werd vastgesteld dat de rechtbank de verwerping van het verweer niet onjuist heeft gemotiveerd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/03473 U
Datum27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2025, nummer UTL-I-2025000795, op verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Mexico) op [geboortedatum] 1986,
hierna: de opgeëiste persoon.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat, kort gezegd, de opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in het uitleveringsverzoek zijn opgenomen.
2.2.1
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het Affidavit van 3 februari 2025”. De inhoud van deze Affidavit is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5.
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek heeft de raadsman van de opgeëiste persoon daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Uit de Request for the Provisonal Arrest van het U.S. Department of Justice van 7 januari 2025 blijkt dat er in Florida een strafrechtelijk onderzoek tegen cliënt loopt terzake van het gezamenlijk plegen van tele-fraude en mail-fraude; het gezamenlijk beschadigen van een beveiligde computer; het gezamenlijk witwassen en het gezamenlijk overdragen van valse identiteitsdocumenten.
Er is een onderliggend bevel tot arrestatie van de [rechter] d.d. 7 januari 2025.
In genoemd Request wordt de aanhouding verzocht ten behoeve van de uitlevering alsmede de inbeslagname van laptops, telefoons en andere elektronische apparaten die cliënt bij zich zou hebben.
Onder cliënt is door het IRC Noord-Holland inderdaad een Iphone, zwarte e-reader en een Apple laptop in beslaggenomen.
Hiernaast is door de autoriteiten van de VS verzocht alle mogelijke andere goederen in beslag te nemen die als bewijs gebruikt kunnen worden ten aanzien van de thans verweten feiten
alsmedegoederen die als bewijs kunnen dienen voor andere strafbare feiten.
Deze zijn ook door Justitie in beslag genomen waaronder:
kaarten, Visa cards (blauw en zwart), gegevens van Belastingaangiften en een formulier voor tijdelijke verblijfsvergunning.
De verdediging stelt reeds hier vast dat het verzoek van de VS een verzoek is dat niet is beperkt tot de thans verweten feiten, maar dat het mogelijk is dat cliënt, bij uitlevering naar de VS, in de VS geconfronteerd gaat worden met andere thans niet bekend gemaakte strafbare feiten.
In de laatste alinea van pagina 1 van het Request staat immers:
‘The United States makes this evidentiairy request in order
to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated.
Dit dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van het verzoek tot uitlevering. Immers uw Rechtbank moet weten om welke feiten het gaat en ook welke straffen voor deze feiten opgelegd kunnen worden.
Dit weet U nu niet. Ik wijs U er op dat in Florida nog steeds de doodstraf geldt voor bepaalde misdrijven en dat deze middels een zeer inhumane dodelijke injectie wordt uitgevoerd. Het behoort thans tot de mogelijkheden dat cliënt bij uitlevering naar de VS, in de VS pas wordt geconfronteerd met andere feiten die tot een dergelijke vreselijke straf zouden kunnen leiden. Hierover dient minimaal zekerheid te worden verkregen en indien deze zekerheid niet door de VS kan of wil worden gegeven, zal de uitlevering naar de VS ontoelaatbaar moeten worden verklaard.”
2.2.3
De rechtbank heeft dit verweer als volgt verworpen:
“Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in de VS mogelijk nog voor andere feiten zal worden vervolgd, waarbij zelfs het opleggen van de doodstraf niet kan worden uitgesloten, wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verdrag waarin het volgende is bepaald: ‘De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan.’”
2.3.1
Artikel 15 lid 1 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika houdt onder meer in dat de krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor een ander feit dan het feit waarvoor uitlevering werd toegestaan.
2.3.2
De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd over de dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die op grond van de Uitleveringswet oordeelt over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan de bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in het advies dat hij op grond van artikel 30 lid 2 van de Uitleveringswet uitbrengt aan de minister van Justitie en Veiligheid.
2.3.3
Het vorenstaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op door artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en/of artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) gewaarborgde rechten, en na zijn uitlevering voor hem met betrekking tot die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, IVBPR openstaat.
(Vgl. HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1791, rechtsoverweging 3.3-3.5 en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, rechtsoverweging 3.5 en 3.6, onder B.)
2.4
De verwerping door de rechtbank van het onder 2.2.2 weergegeven verweer getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is – mede in aanmerking genomen dat uit wat de raadsman heeft aangevoerd, niet kan blijken dat zich de onder 2.3.3 genoemde situatie voordoet – toereikend gemotiveerd.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 januari 2026.