ECLI:NL:HR:2026:1063

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
24/04362
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in belastingrechtelijke zaak

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2024, betreffende het verzet tegen een eerdere uitspraak van maart 2024. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven voor dit oordeel, omdat het niet noodzakelijk was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Het arrest is op 26 juni 2026 in het openbaar gewezen door de raadsheren Feteris, Boerlage en Van der Voort Maarschalk. Hiermee is het beroep in cassatie ongegrond verklaard en blijft de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/04362
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2024, nr. ROT 23/2603 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 19 maart 2024.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.