ECLI:NL:HR:2026:104
Hoge Raad
- Artikel 80a RO-zaken
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard in belastingzaak van belanghebbende tegen gemeente Amsterdam
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in het cassatieberoep van [X], vertegenwoordigd door A. van Velsen, tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Amsterdam. Het cassatieberoep was gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 mei 2025, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Amsterdam werd behandeld. De Rechtbank had beschikkingen gegeven op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2021.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten over de uitspraak van het Hof niet kunnen slagen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen om een advies uit te brengen, maar de Hoge Raad heeft besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren, zoals toegestaan onder artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. De uitspraak is gedaan door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, samen met de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.