Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd samen met drie anderen op de Maasvlakte bij een besloten terrein afgezet en betrapt door douaneambtenaren terwijl zij zich voorbereidden om het terrein te betreden en daar wederrechtelijk te verblijven. Zij droegen donkere kleding, hadden gereedschap en voorzieningen bij zich, en communiceerden via chatberichten over hun plannen en het zwijgrecht.
Het hof oordeelde dat deze gedragingen een begin van uitvoering vormden van het voorgenomen misdrijf, namelijk het wederrechtelijk verblijven op een besloten plaats in een haven, en kwalificeerde dit als strafbare poging tot medeplegen. De verdachte stelde in cassatie dat er geen begin van uitvoering was, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer.
De Hoge Raad benadrukte dat het hof voldoende en toereikend gemotiveerd had vastgesteld dat de gedragingen concreet en in tijd en plaats dicht bij de voltooiing van het misdrijf lagen. De strafverzwarende omstandigheden uit artikel 138aa lid 3 Sr werden eveneens toegepast. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt strafbare poging tot medeplegen wederrechtelijk verblijf op besloten haventerrein en verwerpt cassatieberoep.