ECLI:NL:HR:2026:1014

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
24/02592
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300.2 SrArt. 304.1.1 SrArt. 41.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofarrest mishandeling moeder wegens disproportionele noodweerreactie

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor mishandeling van zijn moeder door haar met twee handen tegen borst en/of buik te duwen, waardoor zij viel en ernstig letsel opliep. Het hof erkende een noodweersituatie vanwege een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de moeder, die de verdachte op zijn wang sloeg en op zijn arm krabde. Het hof verwierp echter het beroep op noodweer omdat de duw als disproportioneel werd beoordeeld.

De verdachte stelde in cassatie dat de duw een proportionele reactie was op de aanranding, mede omdat hij langs zijn moeder moest om de uitgang te bereiken en herhaaldelijk had gevraagd te stoppen. De Hoge Raad herhaalt de proportionaliteitseis bij noodweer en oordeelt dat het hof zijn oordeel niet zonder meer kon dragen. De forse duw stond niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, maar het hof had onvoldoende rekening gehouden met de noodweersituatie en de omstandigheden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 30 juni 2026.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling van noodweer en proportionaliteit.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02592
Datum30 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 juni 2024, nummer 23-002140-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [moeder verdachte] heeft de advocaat A.Y. Bleeker een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 7 mei 2023 te [plaats] , zijn moeder, [moeder verdachte] , heeft mishandeld door haar (met kracht) tegen de borst en/of de buik te duwen (ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen), welk voren omschreven feit zwaar lichamelijk letsel voor [moeder verdachte] ten gevolge heeft gehad te weten twee fracturen linker pols (scaphoid en pols) en een fractuur rechter pols.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in eerste aanleg van 19 juli 2023. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik mijn moeder heb geduwd. Mijn moeder raakte mij als eerste aan. Ik kreeg een klap op mijn wangen. Vervolgens zette mijn moeder haar nagels in mijn bovenarm. Toen heb ik haar geduwd.
2. Een proces-verbaal (...) op 8 mei 2023 in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (...). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [moeder verdachte] :
Op 7 mei 2023 was ik thuis in mijn woning aan de [a-straat] in [plaats] . Ik woon daar samen met mijn man [vader verdachte] en met mijn twee kinderen [zus verdachte] en [verdachte] . Er ontstond een discussie tussen mij en [verdachte] . Mijn man zat aan het ene uiteinde van onze hoekbank en [verdachte] zat aan het andere uiteinde. Ik stond recht voor [verdachte] . Opeens zag ik en voelde ik dat [verdachte] mij met zijn twee handen met kracht duwde ter hoogte van mijn borsten. Ik voelde dat ik viel en ik voelde dat ik met mijn achterhoofd tegen iets hards aanviel. Ik heb mijn twee handen gebruikt om me op te vangen. Ik schrok ontzettend omdat ik met mijn volle gewicht op mijn beide polsen terecht kwam. Ik voelde meteen een hevige pijn in mijn beide polsen.
3. Een proces-verbaal (...) op 8 mei 2023 in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (...). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [vader verdachte] :
Op 7 mei 2023 daagde mijn zoon [verdachte] mijn vrouw uit. Toen ging mijn vrouw voor hem staan en zei: “Wat moet je nou”. Ik hoorde mijn zoon zeggen zo van ga weg en doe niet zo raar. Het uitdagen ging heen en weer, zoals je vaker hebt in een ruzie. Hierna heeft mijn zoon mijn vrouw een forse duw gegeven. Hij duwde met twee handen in haar buikstreek. Ik zag mijn vrouw vallen.
4. Een proces-verbaal van verhoor van 29 april 2024 van de raadsheer commissaris. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de getuige [vader verdachte] :
Ik begrijp dat wij het gaan hebben over wat er op 7 mei 2023 in onze woning aan de [a-straat] in [plaats] is voorgevallen. U vraagt mij naar het postuur van mijn vrouw en mijn zoon, vorig jaar (het hof begrijpt: ten tijde van het ten laste gelegde). Ik zou mijn vrouw niet als de magerste omschrijven, maar ze kan vier of vijf keer in het postuur van [verdachte] die fors is en gezet.
5. Een geschrift, zijnde een deskundigenverslag, te weten een brief van 19 juni 2023 van [deskundige] , chirurg-traumatoloog, in Amsterdam UMC. Deze brief houdt in, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 juni 2023 verwees ik [moeder verdachte] vanuit de polikliniek traumachirurgie in het Amsterdam UMC.
RVK 7 mei 2023
- scaphoid- en polsfactuur in linker pols
- fissuur radius in rechter pols.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“4. De politierechter schrijft op in het vonnis dat er een forse duw is gegeven (...) waardoor moeder ten val kwam. Noodweer wordt verworpen omdat “verdachte eerst is weggelopen en later weer is teruggekomen. Hij heeft zich hiermee dus aan de situatie kunnen onttrekken. Het enkele feit dat verdachte werd aangeraakt is onvoldoende om een geslaagd beroep op noodweer aan te nemen.”
5. Na de getuigenverklaring van vader bij de RHC staan m.i. de volgende punten (van relevantie) vast:
(i) Cliënt en zijn moeder hadden een woordenwisseling toen zijn moeder hem aansprak. Zij stonden letterlijk en figuurlijk lijnrecht over elkaar. (zie verklaring vader, moeder en cliënt)
(ii) Moeder raakt cliënt aan op de wang (zie verklaring moeder en cliënt).
(iii) Moeder en cliënt verklaren beiden dat moeder hem vervolgens opnieuw aanraakt. “Hij zei dat ik hem niet moest aanraken, ik zei als ik jou wil aanraken dan die ik dat, ik raakte hem aan en toen gaf hij mij een duw.”
(iv) Cliënt heeft zijn moeder (toen dus) geduwd waardoor zij ten val kwam.
(v) Cliënt heeft letsel op zijn rechterbovenarm, namelijk een snee. Hiervan maakt hij melding bij de politie tijdens verhoor (...). Ook zaten er meerdere rode plekken op zijn arm. Het krabletsel is duidelijk zichtbaar op de foto’s.
6. De verdediging heeft twee grote bezwaren bij vonnis van de politierechter. Allereerst wordt voorbijgegaan aan het feit dat cliënt uit reactie heeft geduwd. M.i. bevestigt n.b. moeder zelf dat zij cliënt aanraakt. Cliënt heeft ook letsel. Dus een minimale aanraking is het niet geweest. Dat vader dit niet heeft gezien doet hier niets aan af. De snee (zie foto’s dossier (...)) is er niet vanzelf gekomen, en biedt ondersteuning voor de lezing van cliënt. En de verwonding an sich biedt ook steun voor de proportionaliteit van de reactie – hier kom ik zo op terug.
7. Tweede punt is dat volgens de politierechter cliënt had moeten of kunnen weglopen. Maar ook hier gaat de politierechter voorbij aan het feit dat cliënt heel duidelijk aangeeft dat die mogelijkheid er niet was. Hij sprak zijn moeder aan op het feit dat hij wegwilde, maar zij hem blokkeerde. Zijn vader bevestigt dit ook in zijn eerste verklaring: “Ik hoorde mijn zoon zeggen zo van ga weg.” (...) Cliënt heeft ook ter zitting verklaard dat hij sowieso langs moeder moest lopen om bij de deur te komen. Er was geen mogelijkheid om om te draaien en dan weg te lopen.
8. Gezien de geschetste gang van zaken – waarbij uw Hof kunt vaststellen dat één duw is gegeven – is de verdediging van mening dat voorwaardelijk opzet ontbreekt op die mishandeling. Niet elke duw levert een mishandeling op. Hier wordt geduwd uit reactie op provocerend gedrag van een ander en op een ongewenste aanraking die een snee en rode plekken hebben opgeleverd. Ik verwijs hiervoor opnieuw naar HR 13 december 2011 BT7123 of BQ3231.
9. Mocht u de verdediging niet volgen dan verzoek ik u cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer. De directe aanranding bestaat uit de ongewenste aanraking (die fysieke sporen heeft nagelaten) en de reactie bestaat uit het geven van die duw. Die reactie valt binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat cliënt een mogelijkheid had om anders te handelen volgt niet uit het dossier. Hij moest wel langs zijn moeder om de uitgang te kunnen bereiken en hij had haar meermalen gevraagd te stoppen. Ik verzoek om OVAR.”
2.2.4
Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:
“De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het aan hem tenlastegelegde feit. De verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op de mishandeling. Hij heeft in reactie op het provocerende gedrag van zijn moeder en haar ongewenste aanraking die hem letsel heeft opgeleverd, zijn moeder een duw gegeven. Dit levert niet zonder meer opzet op mishandeling op.
Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De directe aanranding bestaat uit de ongewenste aanraking en de reactie bestaat uit het geven van die duw. Die reactie valt binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte had geen mogelijkheid om anders te handelen. Hij moest langs zijn moeder om de uitgang te kunnen bereiken en had haar meermalen gevraagd te stoppen.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
(Voorwaardelijk) opzet
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
De verdachte en zijn moeder hadden een woordenwisseling. De moeder heeft tijdens deze woordenwisseling de verdachte aangeraakt op zijn wang en hem vervolgens gekrabd op zijn arm. Hierop heeft de verdachte zijn moeder ter hoogte van haar borststreek en/of buik met twee handen een forse duw gegeven. Zij kwam daardoor ten val en heeft (breuk)letsel aan haar beide polsen opgelopen. Door aldus te duwen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zijn moeder letsel zou toebrengen. Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte in omvang aanzienlijk groter is dan zijn moeder en dat de duw die hij zijn moeder gaf fors was. Daarmee had de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de ten laste gelegde mishandeling van zijn moeder.
Noodweer
Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer slechts kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding.
Op grond van de gang van zaken tijdens het incident zoals hiervoor is geschetst bij de bespreking van het (voorwaardelijk) opzet is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie voor de verdachte. Dat de verdachte daarbij meer letsel heeft opgelopen dan het krabletsel op zijn arm zoals door de verdediging is gesteld, acht het hof niet aannemelijk, mede gelet op het gegeven dat de verdachte zelf niet heeft verklaard dat dit letsel het gevolg is geweest van het handelen van zijn moeder. Het geven van een forse duw met twee handen waardoor zijn moeder ten val kwam (met ernstig letsel tot gevolg), acht het hof echter een disproportionele reactie daarop. Er was voor de verdachte een alternatief voorhanden, namelijk het met beide armen afhouden van zijn moeder. Met dit handelen heeft de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden en komt hem geen beroep op noodweer toe.”
2.3
De proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband geldende – tot terughoudendheid aanzettende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de manier waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen of een vuist. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.5.3.)
2.4
Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangeefster, maar heeft het beroep op noodweer verworpen omdat de door de verdachte gegeven “forse duw met twee handen” tegen de borststreek en/of buik van de aangeefster in onredelijke verhouding staat tot de ernst van die aanranding. Dat oordeel is, in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat sprake was van een noodweersituatie omdat de aangeefster de verdachte op zijn wang heeft aangeraakt of geslagen en hem op zijn arm heeft gekrabd, en namens de verdachte was aangevoerd dat hij langs de aangeefster moest om de uitgang te bereiken, niet zonder meer begrijpelijk. Dat de aangeefster door de duw is gevallen met het door het hof vastgestelde letsel tot gevolg, maakt dat niet anders.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte en de benadeelde partij zijn voorgesteld
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddel en het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld, niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam , opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2026.