Uitspraak
1.De beschikking van de rechtbank
2.Het cassatieberoep
3.Het procesverloop en de beschikking van de rechtbank
4.Juridisch kader
5.Beoordeling van het cassatiemiddel
6.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in verband met het opstellen en indienen van een verzoekschrift tegen een vordering tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis wegens overtreding van een vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank Rotterdam kende een vergoeding van €280 toe, stellende dat artikel 530 Sv Pro hiervoor toepasselijk is, ondanks het ontbreken van een expliciete wettelijke regeling.
De Hoge Raad overwoog dat eerdere jurisprudentie (HR 2013:BX5566) toeliet dat in bepaalde situaties, zoals sepot of niet-veroordelende einduitspraak, vergoeding van kosten voor rechtsbijstand mogelijk is op grond van artikel 530 Sv Pro. Echter, in deze zaak was sprake van een onherroepelijke veroordeling voor het feit waarvoor de maatregel was opgelegd, waardoor de situatie niet vergelijkbaar is.
Verder wees de Hoge Raad erop dat artikel 529 lid 5 en Pro 530 lid 4 Sv specifieke regelingen bevatten voor bijzondere procedures waarin kosten voor rechtsbijstand wel vergoed kunnen worden, maar dat de procedure in deze zaak daar niet onder valt. Het is aan de wetgever om de toepasselijkheid uit te breiden. De rechtbank had ten onrechte de vergoeding toegekend en de Hoge Raad vernietigt deze beslissing in het belang der wet.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking die vergoeding van kosten voor rechtsbijstand toekende bij de procedure over vervangende hechtenis wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.