ECLI:NL:HR:2026:1002

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
24/03263
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis.1.a SrArt. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bewijs bij schuldheling van fietsen

De zaak betreft schuldheling van drie fietsen die in een garagebox van een ander werden aangetroffen. Het hof had de verdachte veroordeeld op basis van verklaringen van één getuige, de medeverdachte, en ander bewijsmateriaal zoals aangiftes en sleutelonderzoek. De verdachte had zich op zijn zwijgrecht beroepen.

In cassatie klaagt de verdachte dat het bewijs uitsluitend steunt op de verklaring van één getuige, wat in strijd is met artikel 342 lid 2 Sv Pro. De Hoge Raad herhaalt dat bewijs niet uitsluitend op één getuige mag steunen zonder voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van de medeverdachte voldoende steun vonden in het overige bewijs.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de schuldheling en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens onvoldoende motivering bewijs, zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03263
Datum30 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 augustus 2024, nummer 20-003143-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 02-126023-23 onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 02-126023-23 onder 3 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2023 tot en met 29 april 2023 te [plaats] , fietsen voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2023 (dossierpagina’s 16 tot en met 18), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op zaterdag 29 april 2023, omstreeks 14.50 uur, kwamen wij ter plaatse bij de [a-straat 1] , [postcode] in [plaats] . [a-straat 2] betreft een garagebox. De deuren waren geopend en er bevonden zich diverse bestelbusjes, personenauto’s en fietsen in de garagebox.
Wij betraden de garagebox. Daar bevonden zich diverse fietsen, waaronder een aantal e-bikes. Wij zagen dat het framenummer overeenkwam met het framenummer van de gestolen fiets. Het betrof een Giant, voorzien van [framenummer 1] [het hof: de fiets van [benadeelde 1] ], en we zagen dat deze fiets op 29 april 2023 gestolen was. Daarin bevond zich een aantal fietsen, waaronder e-bikes. Wij onderzochten en bevroegen de framenummers in ons politiesysteem. Wij zagen dat er in totaal nog (...) fietsen als gestolen geregistreerd stonden. Dit ging om de volgende fietsen:
- Sparta, voorzien van; [framenummer 2] [het hof: de fiets van [benadeelde 2] ];
- Stella, voorzien van [framenummer 3] [het hof: de fiets van [benadeelde 3] ].
Toen wij bezig waren in de garagebox met het onderzoeken van de aangetroffen fietsen, kwam er een meneer binnen. Wij hoorden hem zeggen dat de drie aangetroffen fietsen, die als gestolen gesignaleerd stonden, van hem waren. Het bleek te gaan om: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 195 [het hof begrijpt gelet op dossierpagina 44: 1975] in [geboorteplaats] .
Ik hoorde dat [medeverdachte] zei dat hij de fietsen koopt van een andere meneer. Ik zag dat [medeverdachte] mij een telefoonnummer liet zien vanaf zijn telefoon. Ik zag dat het ging om het volgende [telefoonnummer] . Ik hoorde dat [medeverdachte] zei dat hij via dit telefoonnummer de fietsen koopt.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2023(dossierpagina's 28 tot en met 29), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
Op zaterdag 29 april 2023 werd door de politie te [plaats] een aantal gestolen fietsen aangetroffen in een garagebox te [plaats] , [a-straat] . Bij de collega’s die ter plaatse onderzoek deden, meldde zich een mannelijk persoon, genaamd [medeverdachte] , die aangaf de eigenaar van deze fietsen te zijn. Hij had deze fietsen gekocht van een persoon die hij kon bereiken via het [telefoonnummer] .
Bij raadplegen in BVI-IB op dit [telefoonnummer] , zag ik dat dit telefoonnummer was gekoppeld aan: [verdachte] (roepnaam: [verdachte] ), geboren op [geboortedatum] 1974 te [plaats] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2023 (dossierpagina's 19 tot en met 21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :
Op zaterdag 29 mei 2023 [het hof begrijpt: 29 april 2023], waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , ter plaatse bij de garage, gelegen op de [a-straat 2] te [plaats] , aldaar stonden als gestolen gesignaleerde fietsen. Wij zagen dat de aangetroffen fietsen voorzien waren van een vast ringslot op de fiets, welke slotvast stonden. De fietssleutels zaten niet in het slot van de fietsen.
De [medeverdachte] gaf aan dat hij de fietssleutels had liggen in zijn woning. De verdachte overhandigde ons de aanwezige fietssleutels.
Wij zijn weer teruggegaan naar de garage en hebben de fietssleutels gepast op het slot van de aangetroffen fietsen. De fietssleutels behoorden bij onderstaande fietsen uit de garage en wij konden het slot met de sleutel openen.
Het betrof de volgende fietsen:
- Giant, [framenummer 1] , behorend bij de aangifte met bvh-nummer: […] [het hof begrijpt: de fiets van [benadeelde 1] ];
- Sparta, [framenummer 2] , behorend bij de aangifte met bvh-nummer: […] [het hof begrijpt: de fiets van [benadeelde 2] ];
- Stella, [framenummer 3] , behorend bij de aangifte met bvh-nummer: […] [het hof begrijpt: de fiets van [benadeelde 3] ].
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 mei 2023 (dossierpagina's 44 tot en met 50), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [medeverdachte] :
V: In deze garage box stonden 5 fietsen. U heeft tegen een collega van ons gezegd dat u de eigenaar hiervan was.
V: Wat kunt u hierover verklaren?
A: Drie van de fietsen heb ik gekocht. De rest van de fietsen weet ik niet van wie ze zijn.
We laten de verdachte een aantal foto's zien van de aangetroffen fietsen. De fietsen die meneer herkent worden onder dit verhoor in de fotobijlage toegevoegd.
O: Verdachte herkent de volgende fietsen:
- Stella Livorno, zwart met goud kleur. Foto 1
- Giant Grandtour, zwart van kleur. Foto 2
- Sparta blauw van kleur [het hof begrijpt - gelet op de foto op dossierpagina 52 en de op die foto zichtbare blauwe kleur van de fiets en de felgroene kleur van de leidingen aan die fiets - dat dit de fiets van [benadeelde 2] is]. Foto 3
V : Hoe bent u aan de fietsen gekomen?
A: Ik heb een persoon op straat ontmoet. Die vertelde mij dat hij fietsen te koop had. Ik heb er ongeveer 50/60 euro per fiets voor betaald.
V: Heeft u de fietsen van de zelfde persoon gekocht?
A: Ja van de zelfde persoon. Als ik die persoon zou zien kan ik hem meteen aanwijzen/herkennen.
O: Verbalisant laat een foto zien van de persoon waarvan waarschijnlijk de fietsen zijn gekocht. Deze foto word toegevoegd onder dit verhoor, onder foto 4. Persoon op de foto betreft [verdachte] .
V: Herkent u deze persoon?
A: Ja dit is de persoon van wie ik de fietsen gekocht heb. Ik herken hem direct.
V: Zijn u nog dingen opgevallen aan de fietsen? Waren ze bijvoorbeeld nog in goede staat?
A: Alles was er goed aan. De persoon bracht de fietsen met alle toebehoren. De fietsen waren goed.
V: Heeft de verkoper verklaard hoe hij aan de fietsen kwam?
A: Ja hij zei dat hij ze gekregen had.
5. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 maart 2023 (dossierpagina’s 53 tot en met 55), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 3] :
Ik doe aangifte van diefstal van mijn elektrische fiets. Op donderdag 16 maart 2023 omstreeks 11.00 uur heb ik mijn fiets gestald bij de Aldi [b-straat 1] in [plaats] . Ik kwam omstreeks 12.00 uur de Aldi uit. Toen zag mijn fiets niet meer staan. Mijn fiets is van het merk Stella.
Fiets: Stella.
Framenummer: [framenummer 3]
6. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2023 (dossierpagina’s 57 tot en met 58), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 1] :
Mijn e-bike is vanmorgen (29 april 2023) rond 9:15 uur gestolen aan [c-straat] bij bakker ‘ [A] ’.
Fiets: Giant.
Framenummer: [framenummer 1] .
7. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 7 april 2023 (dossierpagina’s 59 tot en met 60), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 2] :
Op 5 april 2023 is mijn elektrische fiets is gestolen bij woonzorgcentum [B] in [plaats] .
Fiets: Sparta.
Kleur: Blauw
Inhoud/specificatie: Er zitten felgroene leidingen aan.
Framenummer: [framenummer 2] .”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Bewijsoverwegingen
(...)
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft in de zaak met parketnummer 02-126023-23 vrijspraak bepleit van de onder 3 subsidiair tenlastegelegde: schuldheling. Daartoe is kort weergegeven aangevoerd dat [medeverdachte] - naast de mededeling dat hij de drie door hem aangewezen fietsen van de verdachte heeft gekocht - hierover niets heeft verklaard en dat dus slechts uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat de fietsen van de verdachte afkomstig zijn zodat - zo begrijpt het hof - niet wordt voldaan aan het bewijsminimum dat op grond van artikel 342, tweede lid, van, het Wetboek van Strafvordering is vereist.
(...)
Bijzondere bewijsoverwegingen (parketnummer 02-126023-23, feit 3 subsidiair)
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] de volgende fietsen herkent als fietsen die hij heeft gekocht van de verdachte:
- Sparta, voorzien van [framenummer 2] [de fiets van [benadeelde 2] ];
- Stella, voorzien van [framenummer 3] [de fiets van [benadeelde 3] ];
- Giant, voorzien van [framenummer 1] [de fiets van [benadeelde 1] ].
Ten aanzien van de eerder genoemde drie fietsen van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] stelt het hof vast dat [medeverdachte] heeft verklaard deze elk voor een bedrag van € 50,00 a € 60,00 van de verdachte te hebben gekocht. Nu het alle drie elektrische fietsen waren waarvan [medeverdachte] bovendien heeft verklaard dat alles aan deze fietsen nog goed was, is het hof van oordeel dat sprake is van onvoorstelbaar lage verkoopprijzen. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze fietsen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren.
Hierbij betrekt het hof ten slotte dat de verdachte - gevraagd naar deze verkopen aan [medeverdachte] - zich op alle vragen heeft beroepen op zijn zwijgrecht zodat ook in zoverre geen sprake is van een verklaring van de verdachte die de redengevendheid van de bewijsmiddelen kan ontzenuwen.
Het verweer van de verdediging ten slotte, inhoudende dat niet zou worden voldaan aan het wettelijke bewijsminimum, vindt reeds weerlegging in de bewijsmiddelen.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer naar voren gebracht:
“Verder dient mijn cliënt te worden vrijgesproken van het in de zaak met 02-126023-23 onder 3 subsidiair tenlastegelegde. Er zijn verschillende fietsen aangetroffen bij [medeverdachte] maar mijn cliënt is daar niet aangetroffen. [medeverdachte] heeft drie van de vijf fietsen als zijn eigendom aangewezen en daarvan gesteld dat hij deze heeft gekocht bij mijn cliënt. Verder heeft [medeverdachte] hierover niets verklaard, zoals waar en wanneer hij deze fietsen zou hebben gekocht. We hebben daarom slechts de verklaring van één getuige.
Weliswaar heeft [medeverdachte] het telefoonnummer van mijn cliënt verstrekt maar dat is afkomstig uit dezelfde bron, namelijk [medeverdachte] . Bovendien kan iedereen makkelijk aan het telefoonnummer van mijn cliënt komen en heeft [medeverdachte] er belang bij iemand anders aan te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om mijn cliënt te veroordelen.”
2.3
Volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv Pro, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)
2.4
Het oordeel van het hof dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde – de schuldheling van drie fietsen – heeft begaan, niet alleen wordt aangenomen op grond van de door de getuige [medeverdachte] afgelegde verklaringen, maar dat die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, is niet toereikend gemotiveerd. Dat het hof uit de voor het bewijs gebruikte aangiftes heeft kunnen afleiden dat deze fietsen op enig moment gestolen waren, en dat het in aanmerking heeft genomen dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, biedt op zichzelf geen steun voor het door het hof aangenomen daderschap van de verdachte.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 02-126023-23 onder 3 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2026.