Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het bewerken van 15.260 gram cocaïne, in strijd met artikel 2.B van de Opiumwet.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een bewijsklacht en bezwaren tegen de strafmotivering. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de strafduur, met vermindering naar een gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behalve voor de strafduur. Omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, was de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 57 naar 55 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor de strafduur, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 57 naar 55 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.