ECLI:NL:HR:2025:890

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
10 juni 2025
Zaaknummer
23/00494
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.B OpiumwetArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak medeplegen cocaïnehandel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het bewerken van 15.260 gram cocaïne, in strijd met artikel 2.B van de Opiumwet.

De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een bewijsklacht en bezwaren tegen de strafmotivering. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de strafduur, met vermindering naar een gebruikelijke maatstaf.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behalve voor de strafduur. Omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, was de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 57 naar 55 maanden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor de strafduur, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 57 naar 55 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00494
Datum10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 februari 2023, nummer 20-001347-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.F.M. Geeratz bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 57 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 55 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 juni 2025.