Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 januari 2023, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van circa €200.000. De verdachte had het geld in de vorm van €500 bankbiljetten ontvangen van een medeverdachte om dit om te wisselen in kleinere coupures. De kernvraag was of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld afkomstig was van een misdrijf.
Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en behandeld door de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering naar de gebruikelijke maatstaf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om inhoudelijk op de vragen in te gaan vanwege het belang voor de rechtsontwikkeling. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, waardoor de gevangenisstraf met acht maanden moest worden verminderd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot zeven maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gewezen door vice-president V. van den Brink en raadsheren M. Kuijer en C. Caminada op 10 juni 2025.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot zeven maanden en drie weken wegens overschrijding redelijke termijn.