Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 juni 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het negeren van een opdracht van de burgemeester tot beëindiging van een betoging, een overtreding zoals omschreven in artikel 7 jo Pro. 11.1.b van de Wet openbare manifestaties (WOM). Het hof legde een geheel voorwaardelijke geldboete van €250 op, subsidiair vijf dagen hechtenis.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal concludeerde echter tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, omdat op grond van artikel 427.2 Sv tegen het arrest van het hof in beginsel geen cassatieberoep openstaat bij overtredingen. De verdachte voerde een uitzondering aan op basis van artikel 427.3 Sv, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze uitzondering niet van toepassing is op samenstel van de WOM en gemeentelijke verordeningen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de uitspraak van het hof. Hiermee blijft de veroordeling van de verdachte gehandhaafd en is cassatie niet mogelijk in deze zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling voor het negeren van de opdracht van de burgemeester gehandhaafd blijft.