Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake bedreiging en opzettelijke brandstichting. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar slechts voor wat betreft de strafmaat.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde straf van vijf jaren naar vier jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Caminada en Dalebout op 3 juni 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.