Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
16 mei 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw over de vaststelling en termijn van partneralimentatie na hun echtscheiding. De vrouw verzocht om een alimentatiebijdrage van €10.000 per maand voor tien jaar, terwijl de rechtbank slechts een maandelijkse bijdrage van €8.857 toekende en het verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn afwees.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde een lagere alimentatie voor een kortere periode, maar verwierp het verzoek van de vrouw om op voorhand de alimentatietermijn te verlengen. Het hof stelde dat de wet geen grondslag biedt voor verlenging van de termijn bij het eerste verzoek, omdat de relevante omstandigheden pas aan het einde van de termijn beoordeeld kunnen worden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat de wet (art. 1:157 lid 7 BW Pro) het verzoek tot verlenging pas toelaat nadat de oorspronkelijke termijn is verstreken, met een maximale termijn van drie maanden na beëindiging van de alimentatie. De Hoge Raad verwierp zowel het principale als het incidentele cassatieberoep en handhaafde daarmee de uitspraak van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verlenging van de alimentatietermijn niet bij het eerste verzoek tot partneralimentatie kan worden gedaan en verwerpt het cassatieberoep.