ECLI:NL:HR:2025:707
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 december 2024. Volgens artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb moet het beroepschrift in cassatie de gronden van het beroep bevatten. Dit was in dit geval niet het geval.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 28 januari 2025 in de gelegenheid gesteld om het verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze brief is afgehaald en de termijn werd, na een gemotiveerd verzoek om uitstel, vastgesteld op 25 maart 2025. Belanghebbende heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Op grond hiervan heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard overeenkomstig artikel 6:6 Awb Pro. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 2 mei 2025 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden in het beroepschrift.