ECLI:NL:HR:2025:637

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
23/03356
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 27.1 WWMArt. 54 WWMArt. 56 WWMArt. 427 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging tot doodslag na ruzie op feest

In deze strafzaak stond de poging tot doodslag centraal, gepleegd door het steken met een mes in het bovenlichaam van een ander na een ruzie op een feest over de betaling voor het gebruik van lachgas. Daarnaast was er een feit van het dragen van een machete aan de orde.

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van poging tot doodslag. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde echter anders en verklaarde de poging tot doodslag bewezen. Voor het dragen van de machete legde het hof een geldboete en subsidiair een korte hechtenis op. Tegen dit laatste feit is geen cassatieberoep mogelijk volgens artikel 427 Sv Pro.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk voor het feit van het dragen van de machete en verwerpt het beroep voor het overige. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof dat het samenstel van bewijsmateriaal, waaronder verklaringen van de aangever, getuigen en verdachte, een consistent en betrouwbaar beeld geeft. Het hof heeft de verklaringen zorgvuldig gewogen en gemotiveerd, rekening houdend met mogelijke inconsistenties en omstandigheden die de betrouwbaarheid kunnen beïnvloeden. Er waren geen aanwijzingen dat iemand anders dan de verdachte heeft gestoken.

De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Kuijer en Caminada.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk voor dragen machete en beroep verworpen voor poging tot doodslag; arrest hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03356
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2023, nummer 23-001878-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie ten aanzien van feit 2 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De uitspraak van het hof heeft wat betreft feit 2 betrekking op een overtreding (artikel 27 lid 1 in Pro samenhang met artikel 54 en Pro 56 van de Wet wapens en munitie). Het hof heeft voor dat feit een geldboete van € 225, subsidiair 4 dagen hechtenis opgelegd. Op grond van artikel 427 van Pro het Wetboek van Strafvordering staat tegen de uitspraak van het hof ten aanzien van feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad wat betreft dat feit het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.

3.Beoordeling van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde poging tot doodslag.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.