Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een B.V., maakte beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het hoger beroep tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2013 tot en met 2018 werd behandeld. De Staatssecretaris van Financiën had deze aanslagen opgelegd, inclusief beschikkingen inzake belastingrente.
Belanghebbende had tevens een wrakingsverzoek ingediend tegen een raadsheer van de Hoge Raad, dat door de Hoge Raad werd afgewezen. De Hoge Raad heeft vervolgens de klachten van belanghebbende tegen het arrest van het hof beoordeeld, maar deze klachten konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, zoals bepaald in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad ziet ook geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.