Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2024. De zaak betreft medeplegen van poging tot afpersing, meermalen gepleegd, medeplegen van diefstal met geweld, meermalen gepleegd, en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Diverse cassatiemiddelen zijn ingediend, waaronder klachten over het ontbreken van een proces-verbaal van vier getuigen in hoger beroep, bewijsklachten over het oogmerk bij poging tot afpersing en medeplegen diefstal met geweld, en het niet horen van een getuige.
De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig is deze inhoudelijk te motiveren. Wel wordt ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de gevangenisstraf van elf jaar en zes maanden tot elf jaar en drie maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 16 december 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf jaar en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.