ECLI:NL:HR:2025:1929

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
14 december 2025
Zaaknummer
23/03023
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over afwijzing verzoek tot horen van getuigen in ontnemingszaak met betrekking tot hennepteelt en handel

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, die in 1969 is geboren. De verdediging had verzocht om de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te horen, maar het hof oordeelde dat de verdediging dit verzoek op de terechtzitting van 26 april 2022 niet had willen handhaven. Het hof heeft vastgesteld dat het verzoek om deze getuigen opnieuw te horen pas op de terechtzitting van 9 juni 2023 is gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging over de afwijzing van het getuigenverzoek verworpen. Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, wat heeft geleid tot een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 5.838.459,98 naar € 5.833.455. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, en het beroep voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03023 P
Datum16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juli 2023, nummer 21-002360-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep in cassatie.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de verdediging het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2022 niet heeft willen handhaven.
2.2.1
De procesgang in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.9. De procesgang tot de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2022 houdt – kort samengevat – in dat:
- de raadsman op de regiezitting in hoger beroep van 8 december 2020 - toen de ontnemingszaak nog gelijktijdig met de strafzaak tegen de betrokkene werd behandeld - onder meer het verzoek heeft gedaan om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen;
- het hof dat verzoek heeft toegewezen en de stukken in handen heeft gesteld van de raadsheer-commissaris met de opdracht [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen;
- de raadsheer-commissaris heeft gepoogd een verhoor van de getuigen te organiseren, maar dat het niet is gelukt om dat verhoor te laten plaatsvinden als gevolg van een misverstand tussen het kabinet van de raadsheer-commissaris en de Turkse autoriteiten over het tijdstip van verhoor;
- de raadsheer-commissaris op 8 april 2022 het onderzoek bij het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft gesloten en de zaak naar de zitting heeft verwezen.
2.2.2
Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 8 april 2022 houdt onder meer in:
“Op 21 januari 2021 heeft de meervoudige kamer van het Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, locatie Arnhem voormelde straf- en ontnemingszaken, verwezen naar het kabinet raadsheer-commissaris voor het horen van in totaal 35 getuigen. (...)
Van de door het hof toegewezen getuigen heeft de raadsheer-commissaris 26 getuigen gehoord. (...)
Voor het horen van vijf getuigen die in Turkije wonen of verblijven zijn rechtshulpverzoeken verzonden via het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC). (...) Getracht is om ook de andere getuigen in Turkije via een videoverbinding te horen. Dit is voor aanvang van de inhoudelijke behandeling van de strafzaken niet gelukt.
(...)
Nu alle onderzoeken zijn afgerond, sluit de raadsheer-commissaris het onderzoek en verwijst de zaak naar zitting.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2022 houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mee:
De zaak is eerder behandeld op een regiezitting op 8 december 2020. Bij tussenarrest van het hof van 21 januari 2021 is beslist op de onderzoekswensen van de verdediging, waarbij een deel van de getuigenverzoeken is toegewezen. Daarna hebben verhoren plaatsgevonden bij de raadsheer-commissaris. In het tussenarrest heeft het hof ook bepaald dat partijen een schriftelijk standpunt dienen in te nemen naar aanleiding van de ontnemingsvordering en het in eerste aanleg gewezen vonnis, en daarvoor termijnen gesteld. Van de verdediging heeft het hof per e-mail van 4 maart 2022 een memorie van grieven ontvangen. Daarna heeft het hof bepaald om de ontnemingszaak niet meer gelijktijdig te behandelen met de hoofdzaak van betrokkene, omdat een eventuele bewezenverklaring in de hoofdzaak een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de ontnemingsvordering. Het hof heeft de verdediging en het Openbaar Ministerie hiervan per e-mail van 5 april 2022 op de hoogte gesteld.
Verder heeft de raadsheer-commissaris een proces-verbaal opgesteld van 8 april 2022, waarin is gerelateerd dat het onderzoek bij het kabinet-RHC is gesloten en de zaak naar de zitting wordt verwezen. In dit proces-verbaal is ook uitgelegd waarom een aantal getuigen niet is gehoord.
De ontnemingszaak van betrokkene zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd.
Desgevraagd deelt de raadsman mee geen opmerkingen te hebben in de ontnemingszaak van betrokkene.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2023 heeft de raadsman van de betrokkene daar aangevoerd:
“Ik persisteer ook bij de wel verschenen maar niet gehoorde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Dit in het kader van het aantal kweken en over de verdeling. Veroordeelde heeft ook expliciet verklaard betrokken te zijn geweest bij een aantal hennepkwekerijen. Wat betreft de kostenberekening in het document van mr. Zilver geldt ook weer dat als er wordt verklaard over de kosten, dat moet worden gekeken of die verklaring aannemelijk is. In dit geval hebben veroordeelden standpunten ingenomen over hun verdiensten. Dan ben ik van mening dat als de kosten niet heel raar zijn, dat die als aannemelijk gezien moeten worden. En natuurlijk is er betrokkenheid van [A] bij veel kwekerijen geweest, maar wel in de zin van leverancier en bemiddelaar. Dat levert medeplegen op, maar nog niet meedelen. Als er dan wordt verklaard hoeveel daar mee is verdiend, dan zal het openbaar ministerie daar toch tegenwicht aan moeten bieden, anders dan de enkele stelling dat er sprake is van medeplegen. Er zijn zoveel betrokkenen in deze zaak die er aan hebben verdiend. En als iets niet aannemelijk is, dan is het betrokkenheid zonder dat men er iets aan wil verdienen.
(...)
Ten aanzien van de getuigenverzoeken ga ik er ook vanuit dat het hof hetzelfde standpunt zal innemen als in de strafzaak van veroordeelde, maar de verdediging persisteert daar wel bij. Ik wijs u zo nodig ook op het proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2022, waarin expliciet wordt vermeld dat de kwestie van het niet kunnen horen ook heeft gespeeld in de ontnemingszaak.”
2.2.5
De bestreden uitspraak houdt onder meer in:
“Verzoek horen [getuige 1]
Het hof overweegt dat de verdediging bij appelschriftuur van 13 mei 2019 heeft verzocht om 45 getuigen te horen, waaronder [getuige 1] . Het hof heeft dit verzoek getoetst aan het noodzaakscriterium, nu de verdediging het getuigenverzoek pas bij brief van 10 november 2020 van een motivering heeft voorzien. Het hof heeft bij tussenarrest van 21 januari 2021 het verzoek zowel in de strafzaak als ontnemingszaak toegewezen en daarbij als voorwaarde gesteld dat het getuigenverhoor alleen doorgang zal vinden als de getuige binnen afzienbare tijd, te weten vóór 1 oktober 2021, gehoord kan worden. In het andere geval zal de raadsheer-commissaris afzien van het horen van de getuige. Het verhoor is desondanks gepland op 21 maart 2022. Door een misverstand tussen het kabinet raadsheer-commissaris en de Turkse autoriteiten over het tijdstip van verhoor vanwege het tijdsverschil is het verhoor door middel van een videoverbinding op die datum niet gelukt. De verdediging heeft in de strafzaak van veroordeelde gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van de getuige. Het hof heeft dat verzoek ter terechtzitting in de strafzaak van 26 april 2022 afgewezen en verwijst hiervoor naar het proces-verbaal ter terechtzitting van die datum. De verdediging heeft voorts ter terechtzitting van het hof van 26 april 2022 in de ontnemingszaak op de vraag van de voorzitter meegedeeld geen opmerkingen te hebben in de ontnemingszaak. Het hof vat deze mededeling zo op dat de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 1] in de ontnemingszaak op 26 april 2022 niet heeft willen handhaven en dat het verzoek om zich aan te sluiten bij het verzoek tot het horen van deze getuige in de ontnemingszaak aldus opnieuw is gedaan ter terechtzitting van 9 juni 2023. Het hof begrijpt dat de verdediging de getuige alsnog wenst te horen in verband met zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij in [plaats] . Het hof stelt vast dat de getuige niet zou moeten worden gehoord in verband met een in de ontnemingsprocedure te nemen beslissing die ertoe strekt dat de veroordeelde zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Het hof is van oordeel dat, mede in het licht van de door het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van de getuige van belang is voor de ontnemingsbeslissing. Met name is niet onderbouwd, dat de getuige iets zou kunnen verklaren over de hoogte van het door de veroordeelde zelf verkregen voordeel. Het hof wijst het verzoek daarom af.
(...)
Verzoek horen [getuige 2]
Het hof overweegt dat de verdediging bij appelschriftuur van 13 mei 2019 heeft verzocht om 45 getuigen te horen, waaronder [getuige 2] . Het hof heeft dit verzoek getoetst aan het noodzaakscriterium, nu de verdediging het getuigenverzoek pas bij brief van 10 november 2020 van een motivering heeft voorzien. Het hof heeft bij tussenarrest van 21 januari 2021 het verzoek zowel in de strafzaak als ontnemingszaak toegewezen en daarbij als voorwaarde gesteld dat het getuigenverhoor alleen doorgang zal vinden als de getuige binnen afzienbare tijd, te weten vóór 1 oktober 2021, gehoord kan worden. In het andere geval zal de raadsheer-commissaris afzien van het horen van de getuige. Het verhoor is desondanks gepland op 21 maart 2022. Door een misverstand tussen het kabinet raadsheer-commissaris en de Turkse autoriteiten over het tijdstip van verhoor vanwege het tijdsverschil is het verhoor door middel van een videoverbinding op die datum niet gelukt. De verdediging heeft in de strafzaak van veroordeelde, gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van de getuige. Het hof heeft dat verzoek ter terechtzitting in de strafzaak van 26 april 2022 afgewezen en verwijst hiervoor naar het proces-verbaal ter terechtzitting van die datum. De verdediging heeft voorts ter terechtzitting van het hof van 26 april 2022 in de ontnemingszaak op de vraag van de voorzitter meegedeeld geen opmerkingen te hebben in de ontnemingszaak. Het hof vat deze mededeling zo op dat de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 2] in de ontnemingszaak op 26 april 2022 niet, heeft willen handhaven en dat het verzoek om zich aan te sluiten bij het verzoek tot het horen van deze getuige in de ontnemingszaak opnieuw is gedaan ter terechtzitting van 9 juni 2023.
Het hof stelt vast dat de getuige niet zou moeten worden gehoord in verband met een in de ontnemingsprocedure te nemen beslissing die ertoe strekt dat de veroordeelde zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Het hof is van oordeel dat, mede in het licht van de door het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van de getuige van belang is voor de ontnemingsbeslissing. Met name is niet onderbouwd dat de getuige iets zou kunnen verklaren over de hoogte van het door de veroordeelde zelf verkregen voordeel. Het hof wijst het verzoek daarom af.”
2.3.1
Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat de verdediging het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] in de ontnemingszaak op de terechtzitting van 26 april 2022 niet heeft willen handhaven en dat het verzoek tot het horen van deze getuigen in de ontnemingszaak opnieuw is gedaan op de terechtzitting van 9 juni 2023. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het pas naar aanleiding van het op de terechtzitting van 9 juni 2023 door de verdediging gedane verzoek om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen een beslissing hoefde te nemen over het als getuigen oproepen van [getuige 1] en [getuige 2] en dat het op de terechtzitting van 26 april 2022 daarover geen beslissing hoefde te nemen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarvoor is het volgende van belang.
2.3.2
Het op de terechtzitting van 8 december 2020 gedane verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering. Door de zaak voor nader onderzoek naar de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken te verwijzen, met de opdracht [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen, is aan het verzoek uitvoering gegeven.
2.3.3
De verdediging kon, als zij het wenselijk vond dat de getuigen alsnog zouden worden gehoord in de ontnemingszaak, die wens voorafgaand aan een nadere terechtzitting aan de advocaat-generaal of tijdens een nadere terechtzitting aan het hof kenbaar maken door een daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Zo’n verzoek heeft de verdediging gedaan op de terechtzitting van 9 juni 2023. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 april 2022 houdt niet in dat toen zo’n verzoek is gedaan. Het hof hoefde daarom op de terechtzitting van 26 april 2022 niet - ook niet ambtshalve - een beslissing te nemen over het als getuigen oproepen van [getuige 1] en [getuige 2] (vgl. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1647).
2.3.4
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 5.838.459,98.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 5.833.455 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 december 2025.