Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, die in 1969 is geboren. De verdediging had verzocht om de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te horen, maar het hof oordeelde dat de verdediging dit verzoek op de terechtzitting van 26 april 2022 niet had willen handhaven. Het hof heeft vastgesteld dat het verzoek om deze getuigen opnieuw te horen pas op de terechtzitting van 9 juni 2023 is gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging over de afwijzing van het getuigenverzoek verworpen. Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, wat heeft geleid tot een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 5.838.459,98 naar € 5.833.455. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, en het beroep voor het overige verworpen.