Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, die in 1965 is geboren. De verdediging had verzocht om getuige A te horen in de ontnemingszaak, maar het hof oordeelde dat de verdediging dit verzoek op de terechtzitting van 26 april 2022 niet had willen handhaven. Het hof concludeerde dat het verzoek om A als getuige te horen pas opnieuw was gedaan op de zitting van 9 juni 2023. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging over de afwijzing van het getuigenverzoek verworpen. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 6.985.804,98 naar € 6.980.800. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof enkel wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, maar verwierp het beroep voor het overige.