De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 56 VWEU:
“In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. (...)”
- Richtlijn 2005/60/EG van 26 oktober 2005 (hierna ook: Derde anti-witwasrichtlijn):
“Artikel 1
1. De lidstaten zien erop toe dat witwassen van geld en financiering van terrorisme worden verboden.
(...)
Artikel 2
1. Deze richtlijn is van toepassing op:
(...)
3. de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van de uitoefening van hun beroepsactiviteiten:
a) bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs;
b) notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen wanneer zij deelnemen, hetzij door op te treden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie, hetzij door het verlenen van bijstand bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt in verband met:
(...)
iv) het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;
v) de oprichting, de exploitatie of het beheer van trusts, vennootschappen, stichtingen of soortgelijke structuren;
c) niet onder a) of b) vallende aanbieders van trustdiensten of bedrijfsdiensten;
(...)
Artikel 3
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
(...)
7. „aanbieder van trust- of bedrijfsdiensten”: een natuurlijke persoon die als bedrijfsactiviteit enigerlei van de volgende diensten aan derden verstrekt:
a) oprichten van vennootschappen of andere rechtspersonen;
b) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als directeur of secretaris van een vennootschap, deelgenoot in een deelgenootschap („partnership”) of in een soortgelijke hoedanigheid in andere rechtspersonen;
c) verschaffen van een statutaire zetel, bedrijfsadres, administratief of correspondentieadres en andere daarmee samenhangende diensten voor een vennootschap, een deelgenootschap of enigerlei andere rechtspersoon of juridische constructie;
d) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als trustee van een express trust of van een soortgelijke juridische constructie;
e) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als gevolmachtigde aandeelhouder voor een andere persoon waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapswetgeving, of aan gelijkwaardige internationale normen;
(...)
Artikel 5
De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven om het witwassen van geld en financiering van terrorisme te voorkomen.”
- Artikel 2 lid 1 tot en met 3 en lid 5 tot en met 8 Wtt (oud), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“1. Het is verboden zonder vergunning van de toezichthouder vanuit een vestiging in Nederland als trustkantoor werkzaam te zijn.
2. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder vergunning van de toezichthouder als trustkantoor werkzaam te zijn door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
3. Het is verboden werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in het tweede lid.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op trustkantoren met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten.
7. Een besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
8. Een besluit tot aanwijzing van een staat als bedoeld in het derde lid of de intrekking daarvan wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.”
- Artikel 2a lid 1 en 2 Wtt (oud), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 2, eerste, tweede of derde lid, indien de situatie van een onderscheiden categorie trustkantoren dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften worden verboden en beperkingen worden gesteld.
2. De toezichthouder kan, op verzoek, ontheffing verlenen van artikel 2, eerste, tweede of derde lid, indien de specifieke situatie van een trustkantoor dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.”