ECLI:NL:HR:2025:1877

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
23/00572
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over feitelijk leidinggeven aan trustdiensten door niet-vergunningplichtig trustkantoor

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De verdachte, geboren in 1969, werd beschuldigd van feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk verrichten van werkzaamheden gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat (Cyprus) dat niet beschikte over een vergunning van de toezichthouder, in strijd met artikel 2.3 van de Wet toezicht trustkantoren (oud). Daarnaast werd de verdachte verweten onjuiste aangiften omzetbelasting te hebben gedaan. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken van de onjuiste aangiften, maar het hof oordeelde dat de verdachte wel degelijk strafbaar was voor het feitelijk leidinggeven aan de trustdiensten. De Hoge Raad heeft de vragen van het hof over de onverenigbaarheid van de regeling met het EU-recht en de verjaring van de feiten behandeld. De Hoge Raad oordeelde dat de regeling van artikel 2.3 Wtt (oud) een gerechtvaardigde beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormt, ter bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel verworpen, maar heeft de opgelegde taakstraf verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het hof werd vernietigd, maar alleen wat betreft de duur van de taakstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00572
Datum16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 januari 2023, nummer 22-004677-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.J. Koops bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde, voor zover dit zou zijn begaan meer dan twaalf jaar vóór de uitspraakdatum van de Hoge Raad, en wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf; niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van dat feit voor zover deze betrekking heeft op deze periode; vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de regeling van artikel 2 lid 3 en 5 van de Wet toezicht trustkantoren (oud) (hierna: Wtt (oud)) onverenigbaar is met artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en daarom buiten werking moet blijven. Het voert aan dat de omstandigheid dat de minister nooit een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 2 lid 5 Wtt (oud) een ontoelaatbare beperking meebrengt van de vrijheid van dienstverrichting en daardoor in strijd is met het Unierecht.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is van dagvaarding I onder 2 bewezenverklaard dat:
“ [B] Limited in de periode van 1 juli 2012 tot en met 28 januari 2014 in Nederland, opzettelijk werkzaamheden heeft verricht, gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met een zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning van de toezichthouder, aan welke verboden gedraging hij feitelijke leiding heeft gegeven.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“1.1 Inleiding
In de kern wordt de verdachte (hierna ook: [verdachte] ) verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan:
(...)
- Tweede alternatief: het door [B] en/of [C] opzettelijk in Nederland werkzaamheden verrichten, gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met een zetel in een niet-aangewezen staat zonder vergunning (overtreding van artikel 2, derde lid, Wtt). (...)
1.2
De organisatiestructuur en de positie van [verdachte] en [medeverdachte]
(...)
[B] en [C] maakten vanaf hun oprichting op 24 juni 2010 respectievelijk 28 juni 2010 samen met een aantal andere vennootschappen deel uit van de zogenaamde [A] (...). De vennootschap [B] was gevestigd in een kantoorpand in Den Haag. Op Cyprus werden door [C] trustdiensten aangeboden en uitgevoerd.
(...) [medeverdachte] was onder meer directeur van [B] . (...)
[verdachte] trad formeel op als adviseur voor [A] , huurde een ruimte in het kantoor van [B] in Den Haag en stuurde facturen voor zijn werkzaamheden naar [B] en [D] Limited.
De rechtspersonen [B] en [C] zijn opgericht kort vóór de faillissementsverklaring van [B] BV en [E] Beheer BV. [verdachte] was (indirect) bestuurder van laatstgenoemde vennootschappen en had het, naar het oordeel van het hof, ook feitelijk voor het zeggen. [B] BV en [E] Beheer BV zijn op 1 juli 2010 respectievelijk 19 augustus 2010 failliet verklaard. Na het faillissement is [verdachte] formeel niet betrokken bij [A] en is alles op naam van [medeverdachte] gezet. [verdachte] bleef echter een belangrijk boegbeeld van [B]. (...)
1.3
Werkwijze van [A] en de rol van [B] hierin
Het hof stelt vast dat de werkzaamheden die door [B] vanuit de vestiging in Den Haag werden verricht, voor een belangrijk deel bestonden uit het informeren en adviseren van geïnteresseerden in verband met op te zetten en te beheren vennootschapsstructuren door [C] , een trustkantoor op Cyprus. Daarvoor voerden [medeverdachte] en in mindere mate [verdachte] op de vestiging Den Haag tal van informatieve en adviserende gesprekken met de potentiële klanten. [verdachte] sprong regelmatig bij als daar een reden voor was, bijvoorbeeld bij de meer complexe situaties omdat zijn kennis hierbij van pas kon komen. Van alle contacten met de potentiële klanten werden door [medeverdachte] , [verdachte] en een medewerker notities in een digitaal klantenbestand bijgehouden. Met een al dan niet ingevuld en ondertekend aanvraagformulier brachten [medeverdachte] en [verdachte] de geïnteresseerden vervolgens in contact met [C] om daar de vennootschappen op te laten zetten en de trustdiensten te laten verrichten. Vaststaat dat de op de vestiging Den Haag gevoerde gesprekken in de tenlastegelegde periode van 24 juni 2010 tot en met 28 januari 2014 ertoe hebben geleid dat door [C] vanuit Cyprus daadwerkelijk vennootschappen naar Engels recht, doch feitelijk gevestigd op Cyprus, zijn opgericht en dat aldaar de trustdiensten zijn verleend. Bij de actiedag op 28 juni 2014 is ten kantore van [B] een USB stick aangetroffen met daarop klantgegevens en notities over de periode medio 2010 tot eind januari 2014. Het betroffen ruim 1.100 records. Daarnaast staat vast dat er conceptmails door [medeverdachte] en/of [verdachte] werden opgesteld ter verdere verwerking en verzending vanuit Cyprus. Ook werd bij afwezigheid van medewerkers op Cyprus door een medewerkster in Den Haag facturen op naam van [C] of [D] Limited opgesteld en aan klanten verzonden, en werd door deze medewerkster in Den Haag in een enkel geval ook Engelse vennootschappen voor [C] opgericht. Ten slotte staat ook vast dat [verdachte] vanaf medio oktober 2013 tot eind januari 2014 op Cyprus bij [C] werkzaam is geweest om, zoals hij zelf heeft verklaard: “orde op zaken te stellen”. (...)
1.7
Oordeel hof ten aanzien van tweede alternatief: periode 1 juli 2012-28 januari 2014
Het hof is voorts, overeenkomstig de rechtbank, van oordeel dat de werkzaamheden van [B] op de vestiging Den Haag als hierboven beschreven, wel werkzaamheden zijn als bepaald in artikel 2, derde lid, Wtt, te weten: “werkzaamheden gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met een zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning”. Deze werkzaamheden waren vanaf 1 juli 2012 verboden. Vaststaat immers dat Cyprus een niet-aangewezen staat is, en dat [C] niet beschikte over de vereiste trustvergunning van DNB. Nu de verrichte werkzaamheden behoorden tot de normale bedrijfsvoering van [B] en haar dienstig zijn geweest, kunnen deze verboden gedragingen aan [B] worden toegerekend. Aldus heeft [B] vanaf 1 juli 2012 strafbaar gehandeld.
1.8
Feitelijk leidinggeven
Het hof is van oordeel dat [verdachte] (en ook [medeverdachte] ) kunnen worden aangemerkt als leidinggevenden en in die hoedanigheid strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor het handelen van [B] .”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“ [verdachte] blijft bij zijn verweer zoals in eerste aanleg gevoerd. (...) De rechtbank heeft dit verweer verworpen met de algemene overweging onder 5, over strafbaarheid. De overweging waartegen [verdachte] opkomt, is het volgende gedeelte:
Met betrekking tot het verbod van artikel 2, derde lid, Wtt geldt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van diensten binnen de Europese gemeenschap, nu deze beperking zijn rechtvaardiging vindt in het algemene belang, zoals dat hiervoor is verwoord in de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten.
Wat de rechtbank dus niet heeft gedaan, is het wat mij betreft centrale argument bespreken: namelijk dat Nederland geen enkele Lidstaat heeft aangewezen die is uitgezonderd van de verbodsbepaling – ook Cyprus niet. Zou Nederland wel enige andere Lidstaat hebben aangewezen, dan zou daarmee een kader bestaan ter toetsing van de rechtvaardiging van de beperking die de bepaling oplevert.
Dat is wat ik bedoel met: Naast de hierboven aangeven verdragsrechtelijke uitzonderingen kent het vrij dienstenverkeer ook de rule of reason: beperkende maatregelen, zoals een vergunningvereiste, zijn geoorloofd wanneer zij worden toegepast met het oog op dwingende redenen van algemeen belang. Volgens vaste rechtspraak kan een beperking van artikel 56 VWEU enkel worden gerechtvaardigd door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de ontvangende lidstaat werkzaam is, voor zover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverlener is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd en voor zover deze regelingen geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is ( zaak C-58/98, Corsten, zaak C-433/04, Commissie/België, zaak C-490/04, Commissie/Duitsland). Edelachtbaar college, ik stel mij op het standpunt dat het toepassen van artikel 2 lid 3 Wtt als strafbepaling een schending zou opleveren van het vrije verkeer van diensten zoals gewaarborgd binnen de EU. Wij hoeven hier niet lang over na te denken: de wetgever zelf is het daarmee eens. Immers, de Wetgever zegt: het Aanwijzen van Staten waarvoor het verbod niet geldt, is de enige manier van het waarborgen van dat vrije verkeer – en de Minister hééft geen Staten aangewezen! (...).
Een simpel voorbeeld: Nederland had een Lidstaat zoals Duitsland kunnen aanwijzen, omdat Duitsland regels kent waaraan de dienstverleners (trustkantoren) aldaar zijn onderworpen. Die regels waarborgen (aldaar) precies het belang dat de onderhavige Nederlandse verbodsbepaling eveneens beoogt te waarborgen: namelijk het beschermen van de integriteit van de financiële markten in Nederland en het voorkomen van witwassen. De beperking die de Nederlandse verbodsbepaling oplevert, zou in dat geval voor een Duits trustkantoor niet toegestaan zijn.
In de verwerping van het verweer namens [verdachte] , neerkomend op het feit dat de verbodsbepaling (als zodanig) waarop hij is veroordeeld onverbindend moet worden verklaard, is de rechtbank niet op dit specifieke punt ingegaan. Juist doordat Nederland geen enkele Lidstaat heeft aangewezen, anno nu nog steeds niet, respecteert Nederland niet het feit dat andere Lidstaten hun eigen regimes kennen om financiële markten te beschermen en witwassen te voorkomen: regimes die niet mogen worden uitgebreid of aangevuld zonder dat dat een inbreuk op het vrije verkeer van Diensten oplevert.
Het is een onderwerp waar het Europese Hof van Justitie zich nog niet eerder over heeft uitgelaten, en de Nederlandse wetgever evenmin. Het komt de verdediging voor dat het verweer niet verworpen kán worden zonder dat de volgende vraag (losjes geformuleerd) wordt beantwoord: Levert de verbodsbepaling van artikel 2 lid 3 Wet Toezicht Trustkantoren (oud) een ontoelaatbare beperking op van het te waarborgen vrije verkeer van diensten indien geen enkele Lidstaat wordt Aangewezen zoals in die bepaling bedoeld?
U bent de in laatste feitelijke aanleg oordelende instantie. Ik verzoek u dan ook deze vraag te stellen aan het Hof van Justitie indien u overweegt om het verweer te verwerpen dat strekt tot onverbindendheid van de verbodsbepaling.”
2.2.4
Het hof heeft over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde overwogen:
“De verdediging heeft zich met betrekking tot bij dagvaarding I onder 2, tweede alternatief, tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat artikel 2 lid 3 Wtt een beperking oplevert van het vrije verkeer van diensten en derhalve in strijd is met het EU-werkingsverdrag. Dit geldt volgens de verdediging te meer nu Nederland geen enkele staat heeft aangewezen – ook heden ten dage niet – die is uitgezonderd van de verbodsbepaling zodat een kader ter toetsing van de rechtvaardiging van de beperking die de bepaling oplevert, ontbreekt en ontslag van alle rechtsvervolging zou dienen te volgen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op de wetsgeschiedenis sprake is van een gerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van diensten binnen de EU. De beperking vindt namelijk rechtvaardiging in het algemeen belang zoals dat is verwoord in de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten, te weten de bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland. Het enkele feit dat Nederland – ook op dit moment – geen staat of staten heeft aangewezen in de zin van de Wtt levert geen strijd op met het EU-werkingsverdrag. Ten overvloede wijst het hof op de memorie van toelichting bij de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 910, nr. 3, p. 16):
“Ook trustkantoren met een zetel in een andere lidstaat zonder bijkantoor in Nederland, die trustdiensten naar Nederland verrichten, moeten over een vergunning van DNB beschikken, tenzij zij over een vergunning in hun eigen land beschikken en in dat land een gelijkwaardig beschermingsregime en toezicht daarop bestaat. In dat geval wordt het belang van een vergunning ondervangen en is het in het licht van het vrij verkeer van diensten niet gerechtvaardigd om een vergunning te eisen. Van belang is in dit verband dat op dit moment geen andere lidstaat een vergelijkbaar beschermingsregime kent.”
Het hof voegt hier voorts aan toe dat ook nadat op Cyprus de vergunningsplicht voor trustkantoren is ingevoerd [C] niet over een vergunning beschikte om in Cyprus als trustkantoor werkzaam te zijn.
Het hof verwerpt het verweer.”
2.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 56 VWEU:
“In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. (...)”
- Richtlijn 2005/60/EG van 26 oktober 2005 (hierna ook: Derde anti-witwasrichtlijn):
“Artikel 1
1. De lidstaten zien erop toe dat witwassen van geld en financiering van terrorisme worden verboden.
(...)
Artikel 2
1. Deze richtlijn is van toepassing op:
(...)
3. de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van de uitoefening van hun beroepsactiviteiten:
a) bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs;
b) notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen wanneer zij deelnemen, hetzij door op te treden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie, hetzij door het verlenen van bijstand bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt in verband met:
(...)
iv) het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;
v) de oprichting, de exploitatie of het beheer van trusts, vennootschappen, stichtingen of soortgelijke structuren;
c) niet onder a) of b) vallende aanbieders van trustdiensten of bedrijfsdiensten;
(...)
Artikel 3
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
(...)
7. „aanbieder van trust- of bedrijfsdiensten”: een natuurlijke persoon die als bedrijfsactiviteit enigerlei van de volgende diensten aan derden verstrekt:
a) oprichten van vennootschappen of andere rechtspersonen;
b) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als directeur of secretaris van een vennootschap, deelgenoot in een deelgenootschap („partnership”) of in een soortgelijke hoedanigheid in andere rechtspersonen;
c) verschaffen van een statutaire zetel, bedrijfsadres, administratief of correspondentieadres en andere daarmee samenhangende diensten voor een vennootschap, een deelgenootschap of enigerlei andere rechtspersoon of juridische constructie;
d) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als trustee van een express trust of van een soortgelijke juridische constructie;
e) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als gevolmachtigde aandeelhouder voor een andere persoon waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapswetgeving, of aan gelijkwaardige internationale normen;
(...)
Artikel 5
De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven om het witwassen van geld en financiering van terrorisme te voorkomen.”
- Artikel 2 lid 1 tot en met 3 en lid 5 tot en met 8 Wtt (oud), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“1. Het is verboden zonder vergunning van de toezichthouder vanuit een vestiging in Nederland als trustkantoor werkzaam te zijn.
2. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder vergunning van de toezichthouder als trustkantoor werkzaam te zijn door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
3. Het is verboden werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in het tweede lid.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op trustkantoren met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten.
7. Een besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
8. Een besluit tot aanwijzing van een staat als bedoeld in het derde lid of de intrekking daarvan wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.”
- Artikel 2a lid 1 en 2 Wtt (oud), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 2, eerste, tweede of derde lid, indien de situatie van een onderscheiden categorie trustkantoren dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften worden verboden en beperkingen worden gesteld.
2. De toezichthouder kan, op verzoek, ontheffing verlenen van artikel 2, eerste, tweede of derde lid, indien de specifieke situatie van een trustkantoor dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.”
2.3.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), Stb. 2004, 9, heeft geleid, houdt onder meer in:
“Algemeen
1. Inleiding
1.1
Trustsector
In veel internationale concernstructuren worden een of meer Nederlandse rechtspersonen of vennootschappen tussengevoegd. Belangrijke redenen hiervoor zijn een internationaal concurrerend vestigingsklimaat op het terrein van rechtspersonenrecht en de fiscaliteit, alsmede de goed ontwikkelde sector van professionele financiële dienstverleners. Trustkantoren zijn betrokken bij het opzetten en onderhouden van dergelijke structuren. Ten behoeve van andere ondernemingen voeren trustkantoren het beheer over rechtspersonen en vennootschappen, die in dit wetsvoorstel worden aangeduid als doelvennootschappen. Het beheer houdt meestal in dat het trustkantoor optreedt als bestuurder van de doelvennootschap, zorgt voor een (post)adres en administratieve ondersteuning verleent. Het is voor internationaal opererende ondernemingen vaak doelmatiger om het beheer over doelvennootschappen uit te besteden aan gespecialiseerde trustkantoren, dan om in Nederland voor dat doel eigen personeel aan te trekken. De mate van economische activiteit die dit beheer met zich brengt kan variëren. Het komt regelmatig voor dat de werkzaamheden beperkt zijn tot ondersteunende activiteiten ten behoeve van een doorstroomfunctie van kapitaal en van bedrijfsinkomsten voor een internationaal opererende onderneming (...). Het aantal trustkantoren in Nederland wordt geschat op ruim 150. Het gaat daarbij om een aantal trustdochters van banken, maar het merendeel bestaat uit niet aan banken gerelateerde trustkantoren. Vooral over deze laatste groep is weinig bekend, omdat zij niet zijn gereguleerd. Het volume van de geldstromen die via de door trustkantoren beheerde doelvennootschappen lopen wordt geschat op ruim € 1 000 miljard per jaar. Voor Nederland met een relatief grote trustsector is in de nota «Integriteit financiële sector en terrorismebestrijding» (hierna: de nota) een wet aangekondigd die de trustkantoren onder toezicht stelt om een beter zicht te krijgen op de sector en de zowel internationaal als nationaal gesignaleerde integriteitsrisico’s te beperken.
1.2
Positionering in het overheidsbeleid
Internationaal
Naast de positieve aspecten van deze bedrijvigheid voor trustkantoren en andere financiële dienstverleners maken bepaalde doorstroomstructuren Nederland ook kwetsbaar. In de discussie over schadelijke belastingconcurrentie van de Europese Unie en van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO) is Nederland aangesproken op het geven van zekerheid vooraf (ruling) over de fiscale behandeling van doorstroomstructuren. Mede in reactie hierop heeft Nederland zijn fiscale rulingbeleid aangescherpt.
Het is verder denkbaar dat gestapelde internationale concernstructuren worden misbruikt door internationaal opererende witwassers. In dat geval krijgen de financiële stromen op papier een nettere bestemming en herkomst dan wanneer de financiële stromen rechtstreeks zouden gaan naar bijvoorbeeld een belastingparadijs met een bankgeheim. (...)
Nationaal
De trustsector in Nederland onderkent het risico van misbruik van gestapelde internationale concernstructuren voor bijvoorbeeld witwassen. (...)
De redenen om de gedeeltelijke zelfregulering om te zetten in ondertoezichtstelling sluiten aan bij de wens van de sector. De eerste reden is dat niet de hele sector is verenigd, waardoor nu niet altijd (dezelfde) gedragsregels van toepassing zijn. Ten tweede kan de handhaving beter worden afgedwongen door een onafhankelijke toezichthouder. Uit een criminaliteitsbeeldanalyse, artikelen in de media en advertenties op internet (waarin door handelaren in vennootschappen geadverteerd wordt met anoniem zaken doen) kan worden afgeleid dat de internationaal gesignaleerde risico’s ook voor Nederland reëel zijn.
Nederland heeft, bij het ontbreken van Europese regels op dit terrein, een bijzonder belang bij het introduceren van toezicht op trustkantoren omdat Nederland een omvangrijke trustsector heeft en de trustdiensten vaak nauw verweven zijn met andere financiële dienstverlening. Het is van groot belang ter bescherming van de goede reputatie van de nationale financiële sector dat de gesignaleerde integriteitsrisico’s adequaat worden beheerst. Dit wetsvoorstel introduceert daarom een vergunningenstelsel met toezicht toegespitst op een integere bedrijfsvoering. (...)
2. Doelstelling
2.1
Algemeen
Het doel van het wetsvoorstel is het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel door middel van de regulering van de trustsector. Doordat een belangrijk deel van de bestaande gedragsregels (...) een wettelijke basis en daarmee algemene werking krijgt, levert het wetsvoorstel een bijdrage aan het tegengaan van witwassen van misdaadgelden (waaronder begrepen gelden verkregen uit corruptie of fiscale fraude) via in Nederland gevestigde rechtspersonen en vennootschappen. Dit is van groot belang ter bescherming van de goede reputatie van de nationale financiële sector.
2.2
Afwegingskader
Het OESO-rapport noemt een aantal opties om degene die gebruik maakt van een structuur van rechtspersonen, uit de anonimiteit te kunnen halen. Bij de eerste optie moet men de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende (information on ultimate benefical ownership and control) vooraf aan de autoriteiten melden. Bij de tweede optie moet de informatie voor de autoriteiten beschikbaar zijn bij de dienstverlener; de dienstverlener fungeert als poortwachter (gatekeeper). Bij de derde optie vertrouwt men op de opsporingscapaciteit van de autoriteiten. Verder zouden deze dienstverleners ongebruikelijke transacties moeten melden en zouden de bestuurders aan bepaalde integriteitseisen moeten voldoen. Als gekozen zou worden voor de poortwachtersbenadering dan zou ondertoezichtstelling moeten worden overwogen. Er wordt in het rapport geen voorkeur uitgesproken voor een bepaalde optie of combinatie van opties. De best passende invulling hangt van de lokale situatie af en kan daarom per land verschillen.
Voor de Nederlandse situatie is een afweging gemaakt ten aanzien van de genoemde opties. Belangrijke randvoorwaarden zijn effectiviteit en een zo beperkt mogelijke lastendruk. De eerste optie uit het OESO-rapport wordt vooral geschikt bevonden voor belastingparadijzen zonder andere relevante reële economische activiteiten. Voor landen met een uitgebreide commerciële sector, zoals Nederland, zou het verplicht vooraf melden van alle zeggenschapswijzigingen bij rechtspersonen uit het oogpunt van administratieve lastendruk onnodig bezwarend zijn. Anderzijds zou het uitsluitend vertrouwen op de opsporingscapaciteit weer ontoereikend zijn. In de situatie waarbij zich in Nederland louter een doorstroommaatschappij bevindt, zal veel relevante informatie zich in het buitenland kunnen bevinden. Het zou voor de Nederlandse autoriteiten lastig en tijdrovend zijn om deze informatie te verzamelen. Voor Nederland met een relatief grote trustsector is de tweede optie, waarbij de informatie wordt aangehouden door de poortwachter daarom het meest doelmatig. Veel trustkantoren moeten deze informatie toch al beschikbaar hebben op basis van hun eigen gedragsregels. In dit wetsvoorstel fungeert het trustkantoor dan ook als poortwachter wanneer het bepaalde diensten verricht.
(...)
3. Inhoud van het wetsvoorstel
3.1
Algemeen
De poortwachterbenadering brengt mee dat het toezicht in eerste instantie aangrijpt bij het aanspreekpunt in Nederland, het trustkantoor. De in het wetsvoorstel beschreven diensten mogen alleen met een vergunning van de toezichthouder worden verricht. Aan deze vergunning wordt een aantal eisen gesteld. Zo wordt de betrouwbaarheid getoetst van degenen die een bepaald belang of zeggenschap hebben in het trustkantoor (zoals bestuurders en andere beleidsbepalers). Daartoe worden hun antecedenten nagegaan.
3.2
Administratieve organisatie
De administratieve organisatie van het trustkantoor moet zodanig zijn ingericht dat aan de in dit wetsvoorstel gestelde eisen kan worden voldaan. Daartoe zal het trustkantoor voor elke cliënt een dossier aanleggen (het zogenaamde cliëntacceptatiedossier), op grond waarvan de toezichthouder kan beoordelen of aan de in dit wetsvoorstel gestelde eisen wordt voldaan. Een van de belangrijkste eisen is dat het trustkantoor up-to-date informatie heeft over de uiteindelijk belanghebbende die van de gestapelde concernstructuur gebruik maakt (zie verder de toelichting bij artikel 1, onderdeel c) en in het geval het trustkantoor een rechtspersoon verkoopt, dient het trustkantoor de kopende partij te kennen. Verder dient uit de administratie te blijken dat het trustkantoor kennis heeft van (a) de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap, (b) de relevante delen van de concernstructuur en (c) het doel waarvoor de structuur is opgezet. Indien het trustkantoor zelf als trustee fungeert, dient hij te weten wie de insteller is van de trust (settlor).
3.3
Toezichthouder
De diverse toezichthoudende taken en toezichtbevoegdheden van het wetsvoorstel worden aan de Nederlandsche Bank (hierna: DNB) geattribueerd. (...) Het beoogde toezicht behelst specifiek de toetsing van integriteit. (...) In dit wetsvoorstel gaat het om de integriteit van het trustkantoor en om de relationele integriteit, de integriteit van de klanten van het trustkantoor, in die zin dat de afnemer (uiteindelijk belanghebbende) van de diensten bekend moet zijn bij het trustkantoor. (...) DNB zal worden aangewezen als toezichthouder, omdat het hier gaat om het verkrijgen van inzicht in de substantiële geldstromen die door Nederland lopen via door trustkantoren beheerde doelvennootschappen. (...) Ten slotte zal DNB toezicht gaan houden op de naleving door trustkantoren van de Wet melding ongebruikelijke transacties en de Wet identificatie bij dienstverlening.
(...)
Artikelsgewijze toelichting
(...)
Artikel 2
Het verbod om zonder vergunning als trustkantoor werkzaam te zijn betreft diensten die «vanuit een vestiging in Nederland» beroeps- of bedrijfsmatig worden aangeboden of verleend.
(...)
Het derde en vierde lid voorzien in een (categoriale) vrijstellingsmogelijkheid en een (individuele) vrijstellingsmogelijkheid. Aan de vrijstelling en de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. De aan te wijzen categorieën zullen in ieder geval ondubbelzinnig definieerbaar moeten zijn, op een wijze die een relatief eenvoudige controle toelaat of een persoon inderdaad tot de betrokken categorie behoort. De mogelijkheden voor vrijstellingen en ontheffingen zijn in ieder geval beperkt. Bij een te ruimhartig vrijstellings- of ontheffingsbeleid zou de doelstelling van de wet, de bevordering van de integriteit van het financiële stelsel, in gevaar komen. Een grond voor vrijstelling of ontheffing van de vergunningplicht is dat de in de toelichting beschreven integriteitsrisico’s zich niet voor doen of verwaarloosbaar zijn. Een andere grond voor vrijstelling of ontheffing is dat al op andere wijze in vergelijkbaar integriteitstoezicht is voorzien voor bepaalde gevallen of voor een specifieke situatie.”
(Kamerstukken II 2002/03, 29041, nr. 3, p. 1-6, 10-11.)
2.3.3
De Wijzigingswet financiële markten 2012 heeft de verbodsbepaling uit artikel 2 Wtt (oud) uitgebreid met het in lid 3 neergelegde verbod om werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat, dat niet beschikt over een vergunning. De totstandkomingsgeschiedenis bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wijzigingen, houdt daarover in:
- de memorie van toelichting:
“2.3. Wijziging van de Wet toezicht trustkantoren
In de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt een aantal definities herzien en worden enkele bepalingen toegevoegd. De Wtt is in 2009 geëvalueerd door het Ministerie van Financiën. (...) De evaluatie stond met name in het teken van de vraag of de Wtt haar doel, het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel door middel van regulering van de trustsector, heeft bereikt. Deze vraag is in het verslag positief beantwoord zij het met de kanttekening dat de in de Wtt gehanteerde definitie van het begrip trustkantoor en daarmee de reikwijdte van die wet, zou moeten worden herzien. Voorts bleek zowel bij de sector als bij de toezichthouder (DNB) behoefte te bestaan aan enkele aanvullende bepalingen.
Het voornaamste punt van zorg uit de evaluatie is het toepassingsbereik van de Wtt. Bestrijkt die wet alle aanbieders van trustdiensten op de Nederlandse financiële markten? Blijkens advertenties in de Nederlandse media zijn in Nederland verschillende aanbieders van dergelijke diensten werkzaam die niet onder het toezicht van DNB vallen of die zich aan dat toezicht proberen te onttrekken. Deze aanbieders, die geen zetel of bijkantoor in Nederland hebben, werken doorgaans samen met buitenlandse trustkantoren. De werkwijze van deze aanbieders is dat zij op hoofdlijnen adviseren over bijvoorbeeld een fiscale structuur gericht op het ontwijken van belasting en mogelijk zelfs het afschermen van vermogen voor de Belastingdienst, waarna zij hun cliënt in contact brengen met een buitenlands trustkantoor dat vervolgens het advies nader uitwerkt. Een belangrijk deel van deze dienstverlening vindt plaats via het internet, reden waarom dergelijke dienstverleners worden aangeduid als «virtuele trustkantoren». Deze virtuele kantoren vallen thans niet onder de reikwijdte van de Wtt omdat zij niet vanuit een vestiging in Nederland opereren. Er bestaat een reëel risico op witwassen door de dienstverlening in Nederland van ongereguleerde trustkantoren in het buitenland. Voorgesteld wordt om die reden de Wtt te wijzigen zodat ook dienstverlening in Nederland vanuit het buitenland onder de reikwijdte van die wet valt.
De Nederlandse integriteitsgeoriënteerde trustwetgeving is uniek, mede doordat deze regels niet binnen de EU zijn geharmoniseerd. De buitenlandse trustkantoren die thans in Nederland, al dan niet via een tussenpersoon, actief zijn vallen niet noodzakelijkerwijs onder de werking van de Derde Witwasrichtlijn in de lidstaat van herkomst omdat zij niet altijd kwalificeren als een instelling in de zin van die richtlijn. Verder zijn in de Wtt aanvullende regels gesteld ten opzichte van de Derde Witwasrichtlijn, omdat bij trustdienstverlening aanvullende risico’s bestaan. Het ligt in de rede om die risico’s ook af te dekken voor trustkantoren die vanuit een andere staat in Nederland diensten verrichten. (...)
Om de integriteit van de financiële markten in Nederland te beschermen en witwassen te voorkomen wordt voorgesteld voor dienstverrichting naar Nederland een vergunning van de Nederlandse toezichthouder verplicht te stellen. Dit met uitzondering van dienstverrichting door een trustkantoor met zetel in een door de Minister van Financiën aangewezen staat. Dit waarborgt dat het vrij verkeer van dienstverlening door trustkantoren onbelemmerd blijft zolang het trustkantoor een zetel heeft in een staat waar het toezicht op trustkantoren van gelijkwaardig niveau is.
(...)
ARTIKELSGEWIJS
(...)
ARTIKEL VII. WIJZIGING VAN DE WET TOEZICHT TRUSTKANTOREN
(...)
In het voorgestelde artikel VIII, onderdeel B, wordt de verbodsbepaling uit artikel 2 van de Wtt uitgebreid en aangescherpt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de belangrijkste aanbeveling uit de evaluatie. Er is in de evaluatie geconstateerd dat een onbekend aantal kantoren trustactiviteiten verricht in Nederland, maar niet vanuit een vestiging in Nederland. Omdat deze kantoren geen vestiging in Nederland hebben, vallen zij thans niet onder de reikwijdte van de Wtt.
Thans worden in Nederland diensten in de zin van deze wet verleend door buitenlandse niet-vergunningplichtige kantoren. In de literatuur worden dergelijke kantoren ook wel aangeduid als «virtuele trustkantoren». Vaak maken zij gebruik van, bijvoorbeeld, het internet om Nederlandse cliënten te werven en te bedienen. In de regel vindt de dienstverlening gedeeltelijk in Nederland plaats, bijvoorbeeld een adviseur in Nederland verstrekt een advies over een fiscale structuur om belastingheffing te ontwijken. Deze geadviseerde structuur wordt vervolgens geïmplementeerd door een buitenlands trustkantoor waarmee de hiervoor bedoelde adviseur samenwerkt of dat deel uitmaakt van dezelfde groep als die waartoe de adviseur behoort. De banden tussen de Nederlandse adviespraktijk en het buitenlandse trustkantoor zijn echter niet altijd in voldoende mate aantoonbaar voor de toezichthouder. De hier bedoelde buitenlandse trustkantoren zijn doorgaans bevoegd hun beroep of bedrijf uit te oefenen in het land waar zij hun zetel hebben en staan onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van dat land. Voor deze kantoren gelden echter niet dezelfde (strenge) vereisten en zorgplichten waaraan de Nederlandse kantoren moeten voldoen.
Waar Nederlandse trustkantoren zich primair richten op buitenlandse vennootschappen zijn deze virtuele trustkantoren hoofdzakelijk gericht op cliënten in Nederland. Uit de wijze waarop enkele van deze kantoren adverteren, kan worden afgeleid dat zij zich richten op vermogende particulieren en ondernemingen die belasting willen ontwijken of anoniem rechtspersonen willen gebruiken. Zodoende gaat het materieel om trustdiensten die momenteel niet gereguleerd zijn vanwege het vestigingsvereiste, terwijl de risico’s die de Wtt beoogt te adresseren wel aan de orde zijn.
Voorgesteld wordt in artikel 2, eerste lid, van de Wtt niet langer vast te houden aan het vereiste dat men werkzaam moet zijn vanuit een vestiging in Nederland en daarvoor in de plaats als criterium te hanteren dat men in of vanuit Nederland werkzaam is als trustkantoor. De vestigingseis komt daarmee te vervallen. Tevens wordt voorgesteld de bevoegdheid diensten aan te bieden voor te behouden aan vergunninghoudende trustkantoren. Onder het aanbieden van trustdiensten wordt in dit verband begrepen: het in de uitoefening van beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een cliënt voor diensten waarvoor een vergunning in de zin van de Wtt is vereist.
(...)
Het voorstelde artikel 2a bevat de leden drie tot en met vijf van het huidige artikel 2 van de Wtt, met dien verstande dat deze zijn aangepast aan de nieuwe verbodsbepalingen in het nieuw voorgestelde tweede en derde lid van artikel 2.”
(Kamerstukken II 2010/11, 32781, nr. 3, p. 4-5, 14, 42-44.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie hoe DNB virtuele trustkantoren, die vanuit het buitenland op internet opereren, in de praktijk gaat aanpakken. Zij vragen daarbij of samenwerkingsovereenkomsten met buitenlandse toezichthouders voorzien in voldoende instrumenten om te handhaven.
De meeste kantoren opereren niet alleen via het internet. Internet wordt vaak gebruikt voor de communicatie, maar enige fysieke vertegenwoordiging of bemiddeling door een natuurlijke persoon is veruit de meest gangbare vorm voor het aanbieden van trustdiensten in Nederland zonder als trustkantoor in de zin van de Wtt te kwalificeren. Thans wordt vereist dat een trustkantoor een vestiging in Nederland heeft. Dat kan eenvoudig worden omzeild door niet vanuit een vestiging te werken maar bijvoorbeeld een vertegenwoordiger naar Nederland te sturen of met een natuurlijke persoon in Nederland samen te werken. De vertegenwoordiger maakt veelal contact met de klant. Daarbij is denkbaar dat de vertegenwoordiger een structuur voorstelt aan de klant die later door een gelieerd buitenlands trustkantoor wordt opgezet. De communicatie tussen vertegenwoordiger en trustkantoor loopt dan dikwijls via internet. Het wetsvoorstel beoogt om het aanbieden van trustdiensten in Nederland onder de vergunningplicht te brengen. Primair zal DNB gebruik maken van het in de Wtt aan haar toebedeelde handhavingsinstrumentarium. Waar nodig geacht – bijvoorbeeld in het kader van informatie uitwisseling – zal aanvullend samenwerking met buitenlandse autoriteiten worden gezocht. De samenwerking op andere terreinen is bemoedigend en er lijkt geen aanleiding om te veronderstellen dat dit in onderhavig geval anders zal zijn.
Ook vragen de leden van de PvdA in dit kader op welke schaal dergelijke advisering over belastingontduiking en witwassen plaats vindt en sinds wanneer. Waarom is het niet eerder aangepakt? En in welke landen is het toezicht op trustkantoren van een gelijkwaardig niveau als in Nederland? Ook hierbij geldt dat de exacte omvang van deze vorm van dienstverlening niet kan worden vastgesteld doordat er momenteel geen toezicht op deze kantoren plaatsvindt en zodoende geen kwantitatieve gegevens voorhanden zijn. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat niet onomstotelijk kan worden gesteld dat er op grote schaal advisering over belastingontduiking of witwassen plaatsvindt. In het evaluatierapport van de Wtt wordt aangegeven dat er een hoog risico is op dergelijke activiteiten en dat toezicht daarom een gerechtvaardigd en proportioneel middel is om deze sector in kaart te brengen en indien nodig te zuiveren.
De Wtt is 1 april 2004 in werking getreden en 5 jaar na de inwerkingtreding geëvalueerd. In de memorie van toelichting bij de Wtt is al aangegeven dat de wet mede als doel heeft de sector in kaart te brengen. Bij de evaluatie van de Wtt is gebleken dat de huidige definitie van trustkantoor nog een flink aantal dienstverleners uitsluit. Duidelijk is dat deze vorm van dienstverlening naar zijn aard een groot risico oplevert voor witwassen en het ontduiken van de belastingplicht. De nieuwe definitie heeft grotendeels hetzelfde doel voor ogen als de introductie van de Wtt zelf, namelijk het in kaart brengen van een sector waar momenteel geen toezicht op rust. Daarbij kan worden opgemerkt dat Nederland het enige land is met een wet voor toezicht op trustkantoren. Andere landen stellen prudentiële vereisten aan trustkantoren, maar op anti-witwasgebied is doorgaans alleen de nationale implementatie van de Derde Witwasrichtlijn van toepassing. De Wtt gaat echter verder dan de Derde Witwasrichtlijn vereist en vraagt ondermeer dat trustkantoren een vergunning aanvragen en aanvullende maatregelen treffen om vast te stellen dat de doelvennootschappen die zij besturen niet worden misbruikt in een vennootschapsstructuur om de herkomst van geldstromen te verduisteren.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het voorstel om een vergunning verplicht te stellen voordat tot dienstverlening wordt overgegaan zich verhoudt tot bestaande grensoverschrijdende wetgeving op dit punt. Het vrij verkeer van diensten wordt niet belemmerd door de voorgestelde wijzigingen. Het nieuwe artikel 2a van de Wtt biedt de toezichthouder de mogelijkheid om een trustkantoor vrijstelling te verlenen indien de specifieke situatie van een trustkantoor dat rechtvaardigt, bijvoorbeeld als het toezicht van het land waarin het trustkantoor gevestigd is van voldoende niveau is.”
(Kamerstukken II 2010/11, 32781, nr. 7, p. 6-7.)
2.4.1
De regeling van artikel 2 lid 1 tot en met 3 Wtt (oud) strekt ertoe, kort gezegd, dat voor de werkzaamheden en dienstverlening door een trustkantoor in of naar Nederland telkens – dat wil zeggen: ongeacht waar de zetel van het trustkantoor zich bevindt – een vergunning van de toezichthouder is vereist. Dat is anders als het gaat om trustkantoren met een zetel in een door de minister aan te wijzen staat waarin toezicht op het verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wtt (oud) beoogt te beschermen. Trustkantoren met een zetel in deze aangewezen staten mogen ook zonder vergunning werkzaamheden in Nederland verrichten. Ook kan de minister op grond van artikel 2a Wtt (oud) vrijstelling van de vergunningsplicht verlenen als de situatie van een te onderscheiden categorie trustkantoren dat rechtvaardigt en kan de toezichthouder ontheffing van de vergunningsplicht verlenen als de specifieke situatie van een trustkantoor dit rechtvaardigt.
2.4.2
De regulering van het verrichten van trustdiensten, die onder meer strekt tot het voorkomen van witwassen, is op het niveau van de Europese Unie niet volledig geharmoniseerd. De ten tijde van de tenlastegelegde feiten geldende Derde anti-witwasrichtlijn voorzag in minimumharmonisatie en bood de lidstaten in artikel 5 uitdrukkelijk de mogelijkheid om strengere bepalingen aan te nemen, als daarmee werd beoogd de bestrijding van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme te versterken. (Vgl. HvJ EU 25 april 2013, zaak C-212/11, ECLI:EU:C:2013:270 (Jyske Bank Gibraltar Ltd), overweging 61.)
2.4.3
De vergunningsplicht voor trustkantoren is, zo volgt uit de onder 2.3 weergegeven wetsgeschiedenis, ingevoerd om toezicht te kunnen houden op de dienstverlening door deze kantoren, hun cliënten en op de personen die trustdiensten verlenen. Dit toezicht is noodzakelijk om de risico’s die verbonden zijn aan trustdienstverlening beheersbaar te houden, waarbij is gewezen op verschillende financiële integriteitsrisico’s, zoals het risico op witwassen, belastingontduiking en corruptie. Dat deze vergunningsplicht is uitgebreid tot dienstverlening door trustkantoren met een zetel buiten Nederland, houdt ermee verband dat uit evaluatieonderzoek is gebleken dat voor buitenlandse kantoren – in het land van waaruit zij werkzaam waren – niet dezelfde strenge eisen en zorgplichten golden als voor de Nederlandse kantoren, terwijl bij hun dienstverlening dezelfde financiële integriteitsrisico’s aan de orde zijn die de Wtt (oud) beoogde te adresseren.
De verboden die betrekking hebben op het als trustkantoor met zetel buiten Nederland verrichten van trustdiensten gericht op Nederland zonder vergunning van DNB beogen de integriteit van de financiële markten te bevorderen en witwassen te voorkomen. De met deze verboden corresponderende vergunningsplicht strekt onder meer ertoe eisen te kunnen stellen aan en toezicht te kunnen houden op de betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die zijn betrokken bij het trustkantoor en de met het oog op een integere bedrijfsvoering van trustkantoren te verlangen vastlegging van informatie over hun klanten, welke informatie desgewenst aan de toezichthouder beschikbaar moet worden gesteld.
Met de regeling van artikel 2 lid 5 en 2a Wtt (oud) kunnen uitzonderingen worden gemaakt op het verbod om zonder vergunning werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten, voor situaties waarin integriteitsrisico’s zich niet of nauwelijks voordoen of waarin al op andere wijze in vergelijkbaar integriteitstoezicht is voorzien.
2.5.1
Artikel 56 VWEU betreft de vrijheid van dienstverrichting. Deze bepaling verzet zich tegen de toepassing van elke nationale regeling die ertoe leidt dat het verrichten van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van diensten binnen één enkele lidstaat en verlangt de afschaffing van elke nationale maatregel die het gebruik van deze vrijheid verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt, enkel vanwege de omstandigheid dat de dienstverrichter is gevestigd in een andere lidstaat dan die waar de dienst wordt verricht. (Vgl. HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1883, rechtsoverweging 5.3.2.)
2.5.2
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) kan een nationale regeling over een onderwerp dat op het niveau van de Europese Unie niet volledig is geharmoniseerd en die het vrij verrichten van diensten beperkt of minder aantrekkelijk maakt (zoals ten aanzien van de regulering van het verrichten van trustdiensten volgt uit artikel 5 van de ten tijde van de tenlastegelegde feiten geldende Richtlijn 2005/60/EG van 26 oktober 2005) alleen worden gerechtvaardigd als deze regeling zonder discriminatie wordt toegepast, beantwoordt aan dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en niet verder gaat dan nodig is om dit doel te bereiken. (Vgl. bijvoorbeeld HvJ EU 25 april 2013, zaak C-212/11, ECLI:EU:C:2013:270 (Jyske Bank Gibraltar Ltd), overweging 60 en HvJ EU 4 mei 2017, zaak C-339/15, ECLI:EU:C:2017:335 (Luc Vanderborght), overweging 65.)
2.6.1
Het hof heeft overwogen dat het verbod om werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2 lid 3 Wtt (oud), een beperking van de vrijheid van dienstverrichting betreft, maar dat deze beperking gerechtvaardigd is gelet op het algemeen belang van de bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland. Hieraan doet niet af – zo heeft het hof in reactie op het in hoger beroep gevoerde verweer overwogen – dat de minister (ten tijde van de tenlastegelegde feiten) ten aanzien van geen enkele staat is overgegaan tot een aanwijzing als bedoeld in artikel 2 lid 5 Wtt (oud). Deze verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het verbod om zonder vergunning de in artikel 2 lid 3 Wtt (oud) bedoelde werkzaamheden te verrichten strekt er immers toe dat met het oog op financiële integriteitsrisico’s toezicht kan worden gehouden. In het licht van die risico’s bestaat alleen dan geen reden voor zo’n verbod als het gaat om een trustkantoor met zetel in een staat waarin toezicht op het verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wtt (oud) beoogt te beschermen. De regeling van artikel 2 lid 3 en 5 Wtt (oud), op grond waarvan de minister kan overgaan tot een in die regeling bedoelde aanwijzing, vormt voor een trustkantoor met zetel buiten Nederland dus geen verderstrekkende beperking van de vrijheid om trustdiensten in Nederland te verlenen, maar beoogt uitsluitend een samenloop van vergelijkbare vormen van toezicht vanuit verschillende lidstaten te voorkomen. Voor de beantwoording van de vraag of het verbod om werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2 lid 3 Wtt (oud), een gerechtvaardigde beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormt, is het daarom niet van belang of de minister al dan niet gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een aanwijzing als bedoeld in artikel 2 lid 5 Wtt (oud) te geven. Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
2.6.2
Voor zover aan het cassatiemiddel nog ten grondslag ligt dat de Richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 (Dienstenrichtlijn), Pb 2006, L 376/36, van toepassing is, faalt het eveneens, omdat het kennelijke oordeel van het hof dat het bij de door het Cypriotische trustkantoor aangeboden diensten ging om uitgezonderde ‘financiële diensten’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van deze richtlijn – ook in het licht van wat in hoger beroep over de inhoud van die diensten naar voren is gebracht – niet onbegrijpelijk is.
2.7
In aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen, kan van het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EU worden afgezien, omdat de in de cassatieschriftuur genoemde vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het HvJ EU, zodat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost.
2.8
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting.
3.2
De bewijsvoering van het hof is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.2 en 5.3.
3.3
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.6 tot en met 5.11.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.3 merkt de Hoge Raad op dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring van het in dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit.
Daarvoor is van belang dat:
- slechts een deel van het in dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit in aanmerking komt voor verjaring, voor zover het gaat om de periode van 24 juni 2010 tot en met 16 december 2013, terwijl de bewezenverklaring betrekking heeft op de periode van 1 juli 2012 tot en met 28 januari 2014;
- het hof niet specifiek de duur van het in dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde handelen en ook niet specifieke in de tenlastegelegde periode verrichte werkzaamheden, maar veeleer in algemene zin het feitelijk leidinggeven aan het door [B] verrichten van trustdiensten zonder vergunning bij de strafoplegging heeft betrokken; en
- de verdachte in deze zaak is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek, wegens “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 2, derde lid van de Wet toezicht trustkantoren, opzettelijk begaan”, welk feit in de wet is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” (dagvaarding II), welk feit in de wet is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren, zodat een partiële verjaring voor het in dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit geen wezenlijke invloed op de strafoplegging zou hebben.
4.2
Verder doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 90 uren beloopt, subsidiair 45 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 december 2025.