ECLI:NL:HR:2025:1863
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het ingediende beroepschrift voldeed niet aan de vereiste inhoudelijke eis van het aanvoeren van de gronden van het beroep zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb.
De Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid om dit verzuim binnen zes weken te herstellen, met een termijn die eindigde op 11 september 2025. Ondanks de kennisgeving en de mogelijkheid tot herstel, heeft belanghebbende geen aanvullende gronden ingediend.
Op grond van artikel 6:6 Awb Pro verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 5 december 2025 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet aanvoeren van de gronden binnen de gestelde termijn.