ECLI:NL:HR:2025:1863

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
25/02649
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het ingediende beroepschrift voldeed niet aan de vereiste inhoudelijke eis van het aanvoeren van de gronden van het beroep zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb.

De Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid om dit verzuim binnen zes weken te herstellen, met een termijn die eindigde op 11 september 2025. Ondanks de kennisgeving en de mogelijkheid tot herstel, heeft belanghebbende geen aanvullende gronden ingediend.

Op grond van artikel 6:6 Awb Pro verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 5 december 2025 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet aanvoeren van de gronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02649
Datum5 december 2025
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door R. Zilver, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juli 2025, nrs. BRE 23/1427 t/m 23/1440 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 31 juli 2025 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 11 september 2025. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 31 juli 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 31 juli 2025.
Belanghebbende heeft het hiervoor bedoelde verzuim niet hersteld. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.