Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over medeplegen van poging tot diefstal met geweld. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 maanden.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend wat betreft de duur van de straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn, met vermindering naar een gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het daderschap en opzet van de verdachte niet leiden tot vernietiging en dat motivering van dit oordeel niet nodig is in het kader van artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigt. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde deze van 29 naar 28 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Van Strien en Posthumus, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 9 december 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 29 naar 28 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.