ECLI:NL:HR:2025:1726

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
22/02795 bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de beoordeling van werkzaamheden in de woonstaat in het kader van sociale zekerheidswetgeving

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door [X] tegen de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank. De zaak betreft de beoordeling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving in het licht van de Europese regelgeving. De Hoge Raad heeft eerder aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vragen gesteld over de interpretatie van artikelen uit de verordeningen (EG) 883/2004 en 987/2009. Het Hof heeft op 4 september 2025 geoordeeld dat bij de beoordeling of een persoon substantieel werk verricht in de lidstaat waar hij woont, gekeken moet worden naar de arbeidstijd en/of bezoldiging die daar wordt verkregen. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat het oordeel van de Centrale Raad van Beroep onjuist was en heeft de uitspraak vernietigd. De zaak is terugverwezen naar de Centrale Raad voor een nadere beoordeling van de socialezekerheidswetgeving. Tevens is de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de belanghebbende.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02795bis
Datum21 november 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 mei 2022, nr. 21/1573 AOW [1] , na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen (hierna: het verwijzingsarrest).
1.2
Bij arrest van 4 september 2025, Hakamp, C-203/24, ECLI:EU:C:2025:662, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“1) Artikel 14, lid 8, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012,
moet aldus worden uitgelegd dat
het bevoegde orgaan bij de beoordeling of een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van die persoon moet nagaan of ten minste 25 % van zijn arbeidstijd en/of bezoldiging in die staat wordt verricht en/of verkregen. In dit verband mag geen rekening worden gehouden met andere omstandigheden of criteria.
2) Artikel 14, leden 8 en 10, van verordening nr. 987/2009, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012,
moet aldus worden uitgelegd dat,
in het kader van de algemene beoordeling van de situatie van een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, bij de beoordeling of hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, rekening moet worden gehouden met zijn verwachte situatie in de volgende twaalf kalendermaanden.”
1.3
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het hiervoor in 1.2 bedoelde arrest van het Hof van Justitie. Belanghebbende en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank hebben schriftelijk gereageerd.

2.Nadere beoordeling van de middelen

2.1
Uit de hiervoor in 1.2 weergegeven antwoorden van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen van de Hoge Raad volgt dat het in cassatie bestreden oordeel van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad), weergegeven in rechtsoverweging 3.4 van het verwijzingsarrest, onjuist is. Voor zover middel 1 daarover klaagt, slaagt het daarom.
2.2
Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.2 van het verwijzingsarrest heeft geoordeeld, faalt middel 1 voor het overige, en falen de middelen 2 en 3 op de gronden als weergegeven in respectievelijk rechtsoverweging 4.9 en rechtsoverweging 4.10 van het verwijzingsarrest.
2.3
Gelet op wat hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van de Centrale Raad niet in stand blijven. Terugwijzing moet volgen voor een nadere beoordeling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

3.Proceskosten

De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door de Centrale Raad zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor de Centrale Raad en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving,
- wijst het geding terug naar de Centrale Raad van Beroep ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, en
- veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 11.565 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.