ECLI:NL:HR:2025:1726
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over de beoordeling van werkzaamheden in de woonstaat in het kader van sociale zekerheidswetgeving
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door [X] tegen de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank. De zaak betreft de beoordeling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving in het licht van de Europese regelgeving. De Hoge Raad heeft eerder aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vragen gesteld over de interpretatie van artikelen uit de verordeningen (EG) 883/2004 en 987/2009. Het Hof heeft op 4 september 2025 geoordeeld dat bij de beoordeling of een persoon substantieel werk verricht in de lidstaat waar hij woont, gekeken moet worden naar de arbeidstijd en/of bezoldiging die daar wordt verkregen. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat het oordeel van de Centrale Raad van Beroep onjuist was en heeft de uitspraak vernietigd. De zaak is terugverwezen naar de Centrale Raad voor een nadere beoordeling van de socialezekerheidswetgeving. Tevens is de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de belanghebbende.