Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon (klaagster) tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag over een klaagschrift in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen een natuurlijke persoon (A). Het geschil draait om het beslag op de woning van de klaagster op grond van artikel 94a Sv en de vraag of de aandelenconstructie waarbij een natuurlijke persoon B aandelen in de klaagster heeft gekocht, een schijnconstructie betreft.
De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard, waarbij zij onder meer oordeelde dat er voldoende aanwijzingen waren dat sprake was van een schijnconstructie. De rechtbank nam mee dat B, die tevens bestuurder en enig aandeelhouder van de klaagster is, het geldbedrag waarmee hij de aandelen kocht niet zelfstandig van A kon hebben verkregen en dat de aandelenconstructie onzakelijk was.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen de uitspraak van de rechtbank niet leiden tot vernietiging. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk te motiveren, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep is derhalve verworpen.
De beschikking is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 11 november 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de woning blijft gehandhaafd.