In deze zaak vorderden SBK c.s. in kort geding voorzieningen om de uitvoering van een transactie binnen de Fortenova-groep tegen te houden en om informatie-, vergader- en stemrechten te kunnen uitoefenen. Deze vorderingen werden door de voorzieningenrechter en het gerechtshof Amsterdam afgewezen.
De kern van het geschil betrof de vraag of de aan certificaten verbonden rechten van SBK c.s. konden worden uitgeoefend, mede tegen de achtergrond van Europese sanctieregelgeving tegen Russische entiteiten. De Hoge Raad verwijst naar lopende prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) onder nummer C-465/24, die in een eerdere zaak door de Hoge Raad zijn gesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat er geen aanleiding is om de beslissing in dit kort geding aan te houden in afwachting van de HvJEU-uitspraak. Het cassatieberoep van SBK c.s. wordt verworpen, waarbij de Hoge Raad tevens de kosten van het geding aan hen oplegt. De overige klachten van SBK c.s. leiden niet tot cassatie en behoeven geen nadere motivering.