Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1517

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
23/05052
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 140 lid 1 SrArt. 282 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding in martelcontainerzaak

In deze strafzaak tegen de verdachte, die werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereiding van wederrechtelijke vrijheidsberoving en deelneming aan een criminele organisatie, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld. De verdachte was in voorlopige hechtenis en stelde een cassatiemiddel in tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2023.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden, waardoor de straf werd teruggebracht tot vijf jaren en negen maanden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 14 oktober 2025 door de vice-president Borgers en raadsheren Trotman en Kuiper.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijf jaren en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/05052
Datum14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2023, nummer 23-001434-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 oktober 2025.