ECLI:NL:HR:2025:1479

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
23/04747
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake ambtshalve vermindering inkomstenbelasting 2012

Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 november 2023, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2012 had behandeld.

De Staatssecretaris van Financiën had verweer gevoerd middels een verweerschrift, waarop belanghebbende een conclusie van repliek had ingediend. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.

De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat de klachten geen vragen bevatten die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder ziet de Hoge Raad geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de raadsheren Feteris, Boerlage en Van der Voort Maarschalk en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04747
Datum3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 november 2023, nr. 22/00472 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/9151) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. Van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.