Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 september 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 30 september 2025 uitspraak gedaan in een cassatiezaak tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 april 2024. De verdachte werd verdacht van medeplegen van lokaalvredebreuk in de hal van het ministerie van Economische Zaken tijdens een demonstratie, strafbaar gesteld onder artikel 139 lid 1 Sr Pro.
De verdediging voerde aan dat de strafvervolging onverenigbaar was met de rechten op vrijheid van meningsuiting en vergadering zoals gewaarborgd in artikel 10 en Pro 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit verweer werd door het hof verworpen, maar in cassatie oordeelde de Hoge Raad dat dit verweer slaagt, mede verwijzend naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2025:1313).
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en beslissing, waarbij de onverenigbaarheid met het EVRM in acht moet worden genomen. Hiermee wordt de zaak in samenhang behandeld met meerdere andere zaken met vergelijkbare nummers.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de bescherming van grondrechten in strafrechtelijke vervolgingen, vooral bij demonstraties en de afweging tussen openbare orde en fundamentele vrijheden.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting vanwege onverenigbaarheid met artikel 10 en 11 EVRM.