ECLI:NL:HR:2025:1442

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
28 september 2025
Zaaknummer
24/01583
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 SrArt. 10 EVRMArt. 11 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onverenigbaarheid strafvervolging met EVRM bij medeplegen lokaalvredebreuk

De Hoge Raad heeft op 30 september 2025 uitspraak gedaan in een cassatiezaak tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 april 2024. De verdachte werd verdacht van medeplegen van lokaalvredebreuk in de hal van het ministerie van Economische Zaken tijdens een demonstratie, strafbaar gesteld onder artikel 139 lid 1 Sr Pro.

De verdediging voerde aan dat de strafvervolging onverenigbaar was met de rechten op vrijheid van meningsuiting en vergadering zoals gewaarborgd in artikel 10 en Pro 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit verweer werd door het hof verworpen, maar in cassatie oordeelde de Hoge Raad dat dit verweer slaagt, mede verwijzend naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2025:1313).

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en beslissing, waarbij de onverenigbaarheid met het EVRM in acht moet worden genomen. Hiermee wordt de zaak in samenhang behandeld met meerdere andere zaken met vergelijkbare nummers.

Deze uitspraak benadrukt het belang van de bescherming van grondrechten in strafrechtelijke vervolgingen, vooral bij demonstraties en de afweging tussen openbare orde en fundamentele vrijheden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting vanwege onverenigbaarheid met artikel 10 en 11 EVRM.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01583
Datum30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 april 2024, nummer 22-002997-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Het cassatiemiddel is schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en Pro 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.2
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/01580, ECLI:NL:HR:2025:1313.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M. Kuijer, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 september 2025.