ECLI:NL:HR:2025:1372

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
24/02049
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 359a SvArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen en uitlokking moord, vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding

In deze strafzaak betrof het een moord in 2012 in Marum waarbij de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen en uitlokking van medeplegen moord door het mede initiëren en samen beramen van een huurmoord met zijn broer en moeder. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en het beroep in cassatie richtte zich tegen dat arrest.

De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder dat het hof geen kennis had mogen nemen van een verzoek om een medegedetineerde van een kroongetuige als getuige te horen, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens schending van het recht op een eerlijk proces, en dat het hof de bewijslast had omgekeerd door verklaringen van ontlastende getuigen niet te geloven.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad vond deze overschrijding gegrond, maar gaf hieraan geen verder rechtsgevolg dan een vermindering van de straf.

De Hoge Raad volgde het advies van de advocaat-generaal en vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, die werd verminderd naar de gebruikelijke maatstaf, en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door vice-president V. van den Brink en raadsheren C. Caminada en F. Posthumus op 23 september 2025.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02049
Datum23 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2024, nummer 21-005639-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 september 2025.