Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
9 september 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd beschuldigd van meermalige oplichting door het bewegen tot afgifte van geld, telefoons met abonnementen en sieraden, waarbij hij zich voordeed onder valse namen en beloften deed over het regelen van een woning en terugbetaling van geld. De rechtbank sprak de verdachte vrij voor de afgifte van telefoons met abonnementen en sieraden, maar veroordeelde hem voor de afgifte van geld.
In hoger beroep oordeelde het hof dat de handelingen met betrekking tot geld en telefoons zodanig met elkaar verweven waren dat deze als één samenstel van feiten moesten worden gezien, terwijl de afgifte van sieraden een afzonderlijk feit vormde. Het hof verklaarde de verdachte ontvankelijk in hoger beroep voor het samenstel van geld en telefoons, maar niet voor de sieraden. Het hof kwalificeerde het bewezenverklaarde als "oplichting, meermalen gepleegd".
De Hoge Raad stelde vast dat het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet verenigbaar was met de gegeven kwalificatie, waardoor het oordeel innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk werd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing.
De uitspraak benadrukt het belang van een consistente en begrijpelijke kwalificatie en ontvankelijkheidstoets in strafzaken, vooral bij samenhangende feiten en cumulatieve tenlasteleggingen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens innerlijke tegenstrijdigheid en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.