ECLI:NL:HR:2025:1204

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 augustus 2025
Publicatiedatum
18 augustus 2025
Zaaknummer
23/00398
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 163 lid 6 WVW 1994Art. 62 jo. bord A 1 bijlage I RVV 1990Art. 359a SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn bij weigering bloedonderzoek en te hard rijden

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam over het feit van weigering van bloedonderzoek en te hard rijden. De verdachte stelde verweren in, waaronder bewijsuitsluiting wegens niet verbaliseren van geweld bij aanhouding en een bewijsklacht over vermoedens van drugsgebruik. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging van het bewezen verklaarde feit, met een voorstel tot vermindering van de straf. De Hoge Raad nam dit over en vernietigde het arrest alleen voor de strafoplegging.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde geldboete van €1.000 naar €900 en de vervangende hechtenis van twintig naar achttien dagen.

Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de overige onderdelen van het hofarrest in stand bleven.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd naar €900 en de vervangende hechtenis naar achttien dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00398
Datum26 augustus 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2023, nummer 23-003456-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de strafoplegging ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de voor het onder 1 bewezenverklaarde feit opgelegde geldboete van € 1.000, subsidiair twintig dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de voor het onder 1 bewezenverklaarde feit opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert die geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 900, subsidiair achttien dagen hechtenis, bedragen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 augustus 2025.