Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de bewezenverklaring van witwassen van een contant geldbedrag van €17.000 centraal. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld. Het hof had vastgesteld dat het bezit van een dergelijk groot bedrag in contanten, bestaande uit hoge coupures, ongebruikelijk was, zeker gezien het ontbreken van legale inkomsten van verdachte in Nederland.
Het hof concludeerde dat er een vermoeden van witwassen bestond en dat verdachte dit vermoeden niet had ontzenuwd met concrete, verifieerbare verklaringen over de herkomst van het geld. De verklaringen van verdachte waren wisselend en onduidelijk, waardoor het hof aannam dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf en dat verdachte hiervan op de hoogte was.
In cassatie werd onder meer geklaagd over een vermeend vormverzuim bij de identiteitsfouillering en over de motivering van de bewezenverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over het vormverzuim niet als cassatiemiddel kon worden aangemerkt en dat de motivering van het hof voldoende was. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor witwassen van €17.000.