Op 3 juli 2019 werd verdachte aangehouden in Den Haag nadat hij door rood licht fietste en geen identiteitsbewijs kon tonen. Tijdens een identiteitsfouillering in het openbaar, waarbij verdachte de taal niet machtig was, werd 17.000 euro contant geld aangetroffen. De verdediging stelde dat deze fouillering onrechtmatig was en pleitte vrijspraak.
Het hof constateerde een onherstelbaar vormverzuim omdat de identiteitsfouillering niet noodzakelijk was en het recht op privacy van verdachte werd geschonden. Desondanks oordeelde het hof dat het bewijs niet uitgesloten hoeft te worden, omdat het verzuim beperkte inbreuk maakte en het geld ook bij een rechtmatige fouillering was gevonden.
De verdachte gaf wisselende en onvoldoende verifieerbare verklaringen over de herkomst van het geld. Gezien zijn illegale verblijf en het ongebruikelijke bedrag concludeerde het hof dat het geld uit een misdrijf afkomstig was en dat verdachte dit wist.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd het geld van 17.000 euro verbeurd verklaard. De persoonlijke omstandigheden van verdachte werden meegewogen bij de strafoplegging.