Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een 28-jarige verdachte die gedurende meer dan twee jaar meerdere kinderpornografische foto’s en films vervaardigde van zijn stiefdochter en daarnaast duizenden kinderpornografische afbeeldingen verwierf en bezat. Tevens werd hij verdacht van het aanwezig hebben van GHB.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. In cassatie werd onder meer betwist of het hof strafverzwarende omstandigheden mocht meewegen die niet uit het onderzoek blijken, en of het hof had moeten beslissen op het verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest leiden en dat het hof niet hoefde te motiveren waarom het tot zijn oordeel kwam. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat aanleiding gaf tot vermindering van de straf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot 41 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 42 naar 41 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.