ECLI:NL:HR:2024:95

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
25 januari 2024
Zaaknummer
22/02348
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 40e OwArt. 6.1 Wro
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in onteigeningsrecht planschadevergoeding

In deze zaak stond de vraag centraal of bij toepassing van artikel 40e van de oude Onteigeningswet rekening moet worden gehouden met de beperkende criteria van artikel 6.1 van de oude Wet ruimtelijke ordening (Wro) met betrekking tot planschadevergoeding.

De Gemeenschappelijke Regeling Bedrijvenschap Harnaschpolder, als eiseres, had beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2022. De onteigende stelde een incidenteel cassatieberoep in. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep.

De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van de rechtbank beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het vonnis. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het principale en incidentele beroep verworpen en beide partijen veroordeeld in de proceskosten. Dit arrest is gewezen door de vicepresident Kroeze als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Lock.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt zowel het principale als het incidentele cassatieberoep en bevestigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/02348
Datum26 januari 2024
ARREST
In de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BEDRIJVENSCHAP HARNASCHPOLDER,
gevestigd te Schipluiden,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: het Bedrijvenschap,
advocaat: M.W. Scheltema,
tegen
[de onteigende],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [de onteigende],
advocaat: J.P. van den Berg.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/09/548006/HA ZA 18-179 van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2018, 5 juni 2019, 10 juli 2019 en 4 mei 2022.
Het Bedrijvenschap heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 4 mei 2022 beroep in cassatie ingesteld.
[de onteigende] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat vonnis. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie). Vgl. voor het incidentele beroep HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt het Bedrijvenschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de onteigende] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de onteigende] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Bedrijvenschap begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de onteigende] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
26 januari 2024.