Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd bevolen ten laste van de verdachte. Het voordeel betrof opbrengsten uit de uitvoer van cocaïne en witwassen.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de verdachte beoordeeld, waarbij onder meer de methode van uitgebreide kasopstelling en toepassing van artikel 38e SrNA (oud) en artikel 1:77.3 SrA centraal stonden. Het draagkrachtverweer van de verdachte werd verworpen op grond van artikel 1:77.5 SrA.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het hofvonnis en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Buruma en van Strien, en uitgesproken op 2 juli 2024. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het hofvonnis in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het hofvonnis tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.