Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het Koninkrijk der Nederlanden, Venezuela en de Verenigde Staten van Amerika zijn alle Partij bij het Verdrag tegen sluikhandel. Op grond van artikel 4 lid Pro 1, aanhef en onder b (ii), Verdrag tegen sluikhandel kan elke Partij bij dit verdrag de maatregelen nemen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen over de in overeenstemming met artikel 3 lid 1 van Pro dat verdrag strafbaar gestelde feiten wanneer het strafbare feit is begaan aan boord van een vaartuig ten aanzien waarvan die Partij op grond van artikel 17 van Pro dat verdrag passende maatregelen kan nemen, mits deze rechtsmacht slechts wordt uitgeoefend op grondslag van de in artikel 17 leden Pro 4 en 9 van dat verdrag bedoelde overeenkomsten of regelingen. Artikel 4 lid 3 Verdrag Pro tegen sluikhandel bepaalt dat dit verdrag niet de uitoefening uitsluit van strafrechtelijke rechtsmacht die een Partij heeft gevestigd overeenkomstig haar nationale wetgeving.
Artikel 17 Verdrag Pro tegen sluikhandel geeft nadere bepalingen die zijn gericht op de samenwerking tussen Partijen om de sluikhandel over zee tegen te gaan (zie artikel 17 lid Pro 1). Artikel 17 leden Pro 3 en 4 Verdrag tegen sluikhandel bevat voorzieningen voor het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden door een Partij aan boord van een vaartuig dat vaart onder de vlag van een andere Partij. Op grond van artikel 17 lid 9 Verdrag Pro tegen sluikhandel overwegen de Partijen bilaterale of regionale overeenkomsten of regelingen aan te gaan “om de bepalingen van dit artikel uit te voeren of de doeltreffendheid ervan te vergroten”.
Ter uitvoering van artikel 17 Verdrag Pro tegen sluikhandel is onder meer het Verdrag inzake de sluikhandel over zee tot stand gebracht in het verband van de Raad van Europa. Volgens de preambule van het laatstgenoemde verdrag moet artikel 17 Verdrag Pro tegen sluikhandel worden “aangevuld met een regionaal verdrag teneinde hieraan uitvoering te geven en de doeltreffendheid daarvan te vergroten”. Door onder meer de invoering van artikel 13 lid 4 Opiumwet Pro is in Nederland voorzien in een rechtsmachtregeling die in overeenstemming is met artikel 4 lid Pro 1, aanhef en onder b (ii), Verdrag tegen sluikhandel en artikel 3 Verdrag Pro inzake de sluikhandel over zee.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
25 juni 2024.