ECLI:NL:HR:2024:896

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
14 juni 2024
Zaaknummer
22/00832
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1:16 SvArt. 36e SrArt. 511i SvArt. 80a ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep cassatie in ontnemingszaak wegens samenhang met strafzaak

De betrokkene stelde in cassatie middelen aan tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit schuldwitwassen van bitcoins. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat de als middel aangeduide klacht onvoldoende concreet was en slechts strekte tot vernietiging van de ontnemingsuitspraak indien de samenhangende strafzaak gegrond zou worden bevonden.

De Hoge Raad benadrukte dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 Sv Pro een uitspraak op een ontnemingsvordering pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr onherroepelijk is geworden. Tevens vervalt de ontnemingsuitspraak van rechtswege indien de veroordeling achterwege blijft. De klacht over de redelijke termijn in cassatie werd niet nader gemotiveerd.

Daarom maakte de Hoge Raad gebruik van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren conform artikel 80a RO. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren op 25 juni 2024.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende zelfstandige klacht en samenhang met strafzaak.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00832 P
Datum25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2022, nummer 22-002416-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Alleen een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n cassatiemiddel worden aangemerkt. De als cassatiemiddel 1 aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.
De klacht strekt immers slechts tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 22/00485, gegrond zouden worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onherroepelijk is geworden. Verder vervalt op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een ontnemingsvordering van rechtswege doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016).
2.2
Nu de als cassatiemiddel 1 aangeduide klacht onbesproken moet blijven en de schriftuur verder enkel de klacht bevat dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 juni 2024.