Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 juni 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk gebiedsverbod, zoals bedoeld in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gebiedsverbod was meermalen overtreden. De verdachte stelde in cassatie dat het gebiedsverbod niet rechtmatig was opgelegd en vorderde vrijspraak.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te onderzoeken, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bevestigd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare terechtzitting op 11 juni 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens opzettelijk niet voldoen aan het ambtelijk gebiedsverbod blijft in stand.