De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het tweemaal overtreden van een gebiedsverbod in Amsterdam centrum, opgelegd door de burgemeester. Hij stelde hoger beroep in tegen deze veroordeling, stellende dat het gebiedsverbod onrechtmatig was opgelegd en dat hij onder invloed van alcohol niet adequaat kon reageren tijdens het verhoor.
Het hof oordeelde dat het gebiedsverbod rechtmatig was opgelegd en dat de verdachte wel degelijk begreep wat hem werd gevraagd ondanks zijn alcoholgebruik. Het hof verwierp het verweer tot vrijspraak en verklaarde de tenlasteleggingen bewezen. De verdachte had zich op 27 oktober en 6 november 2021 in het verboden gebied begeven.
Hoewel de politierechter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken oplegde, legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken op met een proeftijd van twee jaar. Dit vanwege de zorgmachtiging en opname van de verdachte in een kliniek, en het belang om het behandeltraject niet te verstoren. De straf dient tevens als afschrikmiddel om recidive te voorkomen.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter omwille van proceseconomische redenen en deed opnieuw recht met een duidelijke motivering van bewijs en straf. De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan het gebiedsverbod, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen.