Uitspraak
1.Procesverloop in beide zaken
2.Uitgangspunten en feiten in beide zaken
Inhoudelijk: algemene inleidende opmerkingen
op bevredigende wijze door middel van bescheiden” worden aangetoond dat de afstand door de biologische ouder(s) van het buitenlandse pleegkind “
naar behoren” was geregeld. Deze bescheiden moesten van dien aard zijn dat geen twijfel kon bestaan dat aan de vereisten was voldaan [voetnoot hof: Kamerstukken II 1986/87, 20046, nr. 3, p. 17]. In de Adoptienota (…), waarin de invoering van een vergunningstelsel werd voorgesteld, was al vermeld dat het tot de taak van de vergunninghoudende bemiddelaar behoorde om hier alert op te zijn. [verweerster] heeft erop gewezen dat in de memorie van toelichting bij de Wobp werd benadrukt dat van de bemiddelaars wordt verwacht dat zij, voor zover dit in hun vermogen ligt, erop zullen toezien dat de overkomst naar Nederland met het oog op adoptie alleen wordt bevorderd, wanneer “vaststaat” dat dit in het belang van het kind is en in het land van herkomst geen andere hulp kan worden geboden [voetnoot hof: Kamerstukken II 1986/87, 20046, nr. 3, p. 7]. [verweerster] heeft terecht aangevoerd dat uit de in de Wobp en het Besluit neerlegde regels en de toelichting daarop blijkt dat adoptie niet in het belang van het kind werd geacht als het onzeker was of aan die vereisten was voldaan.
te gemakkelijk aangenomen wordt, dat de ouders of de alleenstaande moeder van het kind niet zullen kunnen verzorgen en dat vele nederlandse echtparen en verschillende partikuliere bemiddelaars of bemiddelende instanties dit ook maar al te gemakkelijk aksepteren en niet of nauwelijks navragen of er wel echt afstand van dit kind is gedaan” en dat dit ertoe had geleid dat er in verschillende landen van herkomst afstandsverklaringen afgegeven werden waarvan de herkomst en het waarheidsgehalte dubieus waren (…). Al deze signalen zijn (mede) aanleiding geweest voor de invoering van een vergunningstelsel, meer controleverplichtingen voor de Nederlandse vergunninghoudende bemiddelaars en meer toezicht door de Minister op de bemiddelaars.
4.Beslissing in beide zaken
19 april 2024.