Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
16 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor meermalen seksueel binnendringen van de minderjarige kleindochter van zijn partner. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken.
Het eerste cassatiemiddel betrof een klacht over de motivering van de bewezenverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het relaas van de verbalisant, ondanks dat het niet expliciet aangaf welke beschuldigingen verdachte had erkend, in samenhang met ander bewijs voldoende redengevend was. Het hof had de motivering adequaat gegeven en was niet verplicht tot nadere motivering van de door de verdediging onderbouwde standpunten.
Het tweede cassatiemiddel betrof de duur van de proeftijd die het hof op drie jaren had vastgesteld, terwijl volgens de toen geldende wetgeving (artikel 14b oud Sr) de maximale proeftijd voor deze categorie strafbare feiten twee jaren bedraagt. De Hoge Raad stelde vast dat het hof hiermee in strijd had gehandeld met de wet en herstelde deze misslag door de proeftijd te verminderen tot twee jaren. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige.
De Hoge Raad benadrukte dat een dergelijke kennelijke misslag zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf, maar dat het ook door de Hoge Raad kan worden gecorrigeerd om snel duidelijkheid te verschaffen over de tenuitvoerlegging van de straf.
Uitkomst: De Hoge Raad herstelt de proeftijd van drie naar twee jaren en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.