ECLI:NL:HR:2024:591

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
12 april 2024
Zaaknummer
22/03836
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 287 SrArt. 350 lid 1 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf na liquidatie met automatisch wapen in Rotterdam-Kralingen

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor een liquidatie in Rotterdam-Kralingen waarbij hij in 2018 als bestuurder van een scooter met een automatisch wapen minstens twaalf keer schoot op de bestuurder van een stilstaande auto op een druk kruispunt. Het slachtoffer overleed aan de gevolgen van de schietpartij, waarbij ook een bestelbus achter de auto werd geraakt.

De verdachte werd veroordeeld voor moord (art. 289 Sr Pro), poging tot doodslag (art. 287 Sr Pro) en beschadiging van de bestelbus (art. 350 lid 1 Sr Pro). In cassatie werd onder meer geklaagd over de kwalificatie van het voorwaardelijk opzet ten aanzien van de poging tot doodslag op de bestuurder van de bestelbus.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof terecht had geoordeeld. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, mede doordat stukken te laat werden ingezonden en de cassatie-uitspraak pas na meer dan zestien maanden volgde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van 23 jaar naar 22 jaar en 10 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 23 jaar naar 22 jaar en 10 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03836
Datum16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2022, nummer 22-000013-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 23 jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 22 jaren en 10 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2024.