ECLI:NL:HR:2024:56

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 januari 2024
Publicatiedatum
18 januari 2024
Zaaknummer
23/00045
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:85 lid 2 BWArt. 5:87 leden 2 en 3 BWArt. 5:92 lid 2 BWArt. 39 FwArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over erfpachtcanon tijdens faillissement en boedelschuldkarakter

In deze zaak heeft Groningen Seaports N.V. (GSP) cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin werd geoordeeld dat de tijdens het faillissement van GOC Real Estate B.V. verschuldigde erfpachtcanon geen boedelschuld is.

GSP stelde dat de canonbetalingsverplichting een goederenrechtelijke verplichting is en daarom als boedelschuld moet worden behandeld, waardoor de curator deze buiten de samenloop van schuldeisers zou moeten voldoen. De rechtbank en het hof verwierpen dit standpunt en wezen de vordering af.

De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting tot betaling van erfpachtcanon geen goederenrechtelijke verplichting is, maar een kwalitatieve verbintenis die rust op de erfpachter. De wetgever heeft in het Burgerlijk Wetboek specifieke bepalingen opgenomen voor erfpacht die afwijken van die voor huur en pacht, welke wel boedelschulden kunnen zijn. Daarom is de canon die tijdens het faillissement ontstaat geen boedelschuld.

De overige klachten van GSP leiden niet tot cassatie, en de Hoge Raad veroordeelt GSP in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de tijdens het faillissement verschuldigde erfpachtcanon geen boedelschuld is en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/00045
Datum19 januari 2024
ARREST
In de zaak van
GRONINGEN SEAPORTS N.V., handelende als onherroepelijk gevolmachtigde van het Havenschap Groningen Seaports,
gevestigd te Delfzijl,
EISERES tot cassatie,
hierna: GSP,
advocaten: J.W.M.K. Meijer en F.J.L. Kaptein,
tegen
1. J.C.M. SILVIUS in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Refining & Trading Holland N.V. en GOC Real Estate B.V.,
kantoorhoudende te Groningen,
2. [de voormalig curator], in zijn hoedanigheid van voormalig curator in de faillissementen van Refining & Trading Holland N.V. en GOC Real Estate B.V.,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: de curatoren,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/18/185350 / HA ZA 18-140 van de rechtbank Noord-Nederland van 29 augustus 2018, 2 januari 2019 en 23 juni 2021;
b. de arresten in de zaak 200.300.733/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 april 2022 en 4 oktober 2022.
GSP heeft tegen het arrest van het hof van 4 oktober 2022 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen de curatoren is verstek verleend.
De zaak is voor GSP toegelicht door haar advocaten, en mede door F.S. Hinse.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van GSP hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) GSP heeft aan GOC Real Estate B.V. (hierna: GOC) een bedrijfsterrein in erfpacht uitgegeven.
(ii) GOC is in 2015 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [de voormalig curator] als curator. Mr. Silvius is hem later als curator opgevolgd.
(iii) Na het uitspreken van het faillissement is de erfpachtrelatie tussen GOC en GSP in stand gebleven.
2.2
GSP vordert in dit geding onder meer betaling van de tijdens het faillissement verschuldigd geworden erfpachtcanon. Zij heeft daartoe aangevoerd dat deze betalingsverplichting een boedelschuld is. De rechtbank heeft dit standpunt verworpen en de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [1]

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel betoogt dat een canonbetalingsverplichting die in de erfpachtakte is opgenomen, onderdeel is van het erfpachtrecht en als een goederenrechtelijke verplichting moet worden behandeld. De canonbetalingsverplichting kan daardoor worden afgedwongen buiten de samenloop van concurrente schuldeisers om. Zij is een verplichting die op de curator in hoedanigheid rust en de openstaande erfpachtcanon is een boedelschuld. Hieraan doet volgens het onderdeel niet af dat art. 39 Fw Pro alleen pacht en huur maar niet erfpacht als boedelschuld noemt, omdat de verplichting tot betaling van pacht en huur geen goederenrechtelijk karakter heeft. Bovendien beschouwt de wetgever pacht en huur als boedelschuld omdat zij zien op betaling voor het gebruik van een goed dat de curator kennelijk nodig vindt voor de afwikkeling van het faillissement. Dit geldt evenzeer voor de erfpachtcanon, aldus het onderdeel.
3.2
Dit betoog faalt. De verplichting tot betaling van de erfpachtcanon is in het stelsel van het Burgerlijk Wetboek geen goederenrechtelijke verplichting, maar een kwalitatieve verbintenis die rust op de erfpachter (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.11-3.14). De wetgever heeft voor de verplichting tot betaling van de erfpachtcanon en voor opzegging van de erfpacht wegens wanbetaling een regeling getroffen in de art. 5:85 lid Pro 2, 5:92 lid 2 en 5:87 leden 2 en 3 BW en heeft voor de erfpachtcanon geen met art. 39 Fw Pro (huur) vergelijkbare regeling getroffen. Anders dan onderdeel 1 betoogt, is de verplichting tot betaling van de erfpachtcanon voor zover deze verschuldigd is geworden tijdens het faillissement van de erfpachter dan ook niet ingevolge of krachtens het Burgerlijk Wetboek dan wel de Faillissementswet een boedelschuld. [2]
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt GSP in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
19 januari 2024.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8502.
2.Vgl. HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, rov. 3.7.1.