Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 januari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft Groningen Seaports N.V. (GSP) cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin werd geoordeeld dat de tijdens het faillissement van GOC Real Estate B.V. verschuldigde erfpachtcanon geen boedelschuld is.
GSP stelde dat de canonbetalingsverplichting een goederenrechtelijke verplichting is en daarom als boedelschuld moet worden behandeld, waardoor de curator deze buiten de samenloop van schuldeisers zou moeten voldoen. De rechtbank en het hof verwierpen dit standpunt en wezen de vordering af.
De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting tot betaling van erfpachtcanon geen goederenrechtelijke verplichting is, maar een kwalitatieve verbintenis die rust op de erfpachter. De wetgever heeft in het Burgerlijk Wetboek specifieke bepalingen opgenomen voor erfpacht die afwijken van die voor huur en pacht, welke wel boedelschulden kunnen zijn. Daarom is de canon die tijdens het faillissement ontstaat geen boedelschuld.
De overige klachten van GSP leiden niet tot cassatie, en de Hoge Raad veroordeelt GSP in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de tijdens het faillissement verschuldigde erfpachtcanon geen boedelschuld is en wijst het cassatieberoep af.