ECLI:NL:HR:2024:549

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
21/01835
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen woninginbraak en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van een woninginbraak waarbij reservesleutels van waardevolle auto's werden gestolen. In eerste aanleg was verdachte vrijgesproken. Het hof had vastgesteld dat verdachte samen met een medeverdachte rond het tijdstip van de inbraak in de buurt van de woning was, dat zij in een auto zaten met paspoorten van bewoners en dat medeverdachte beschikte over gestolen goederen, waaronder autosleutels.

Het hof concludeerde op basis van een bericht op de telefoon van verdachte dat sprake was van medeplegen, en vond dat verdachte geen aannemelijke verklaring had gegeven. De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van het standpunt dat er geen bewijs was dat verdachte betrokken was bij de inbraak, en dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kon worden afgeleid.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot cassatie en bevestigde het oordeel van het hof. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden en verminderde daarom de opgelegde gevangenisstraf met vijf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt medeplegen woninginbraak en vermindert gevangenisstraf tot vier maanden en twee weken wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01835
Datum9 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 april 2021, nummer 22-001510-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.W. Koevoets, advocaat te Hoek, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde inbraak. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2024.