Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
12 maart 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klaagster, een onderneming, cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar klaagschrift ex artikel 552a Sv ongegrond verklaarde. Het klaagschrift betrof een beroep op het verschoningsrecht met betrekking tot beslag op digitale stukken en gegevens onder de onderneming, in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.
De Hoge Raad heeft overwogen dat het cassatieberoep niet in behandeling kan worden genomen voor zover het gericht is tegen de beslissing van de rechtbank dat het beroep op het verschoningsrecht ongegrond is. Deze niet-ontvankelijkheid is gemotiveerd in een gelijktijdige beschikking (ECLI:NL:HR:2024:315). Voor het overige zijn de klachten van klaagster verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De beslissing bevestigt dat beslag op digitale gegevens na schifting onder leiding van de rechter-commissaris niet strijdig is met het verschoningsrecht, en dat het beroep van de klaagster op dit recht niet ontvankelijk is in cassatie. Hiermee wordt de eerdere uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
De beschikking is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij het beroep deels niet-ontvankelijk is verklaard en deels is verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het verschoningsrecht en voor het overige verworpen.