ECLI:NL:HR:2024:351

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/01622
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 98.4 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake verschoningsrecht bij beslag op digitale gegevens

In deze zaak heeft de klaagster, een onderneming, cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar klaagschrift ex artikel 552a Sv ongegrond verklaarde. Het klaagschrift betrof een beroep op het verschoningsrecht met betrekking tot beslag op digitale stukken en gegevens onder de onderneming, in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.

De Hoge Raad heeft overwogen dat het cassatieberoep niet in behandeling kan worden genomen voor zover het gericht is tegen de beslissing van de rechtbank dat het beroep op het verschoningsrecht ongegrond is. Deze niet-ontvankelijkheid is gemotiveerd in een gelijktijdige beschikking (ECLI:NL:HR:2024:315). Voor het overige zijn de klachten van klaagster verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De beslissing bevestigt dat beslag op digitale gegevens na schifting onder leiding van de rechter-commissaris niet strijdig is met het verschoningsrecht, en dat het beroep van de klaagster op dit recht niet ontvankelijk is in cassatie. Hiermee wordt de eerdere uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

De beschikking is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij het beroep deels niet-ontvankelijk is verklaard en deels is verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het verschoningsrecht en voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01622 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 21/002611, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in haar beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep naar aanleiding van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de beslissing van de rechtbank tot ongegrondverklaring van het beklag voor zover de klaagster daaraan ten grondslag heeft gelegd dat zich – ook na een schifting onder leiding van de rechter-commissaris – onder het beslag (digitale) stukken en gegevens bevinden ten aanzien waarvan een bevoegdheid tot verschoning kan worden uitgeoefend.
2.2
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling nemen voor zover het gericht is tegen de beslissing van de rechtbank dat het beroep van de klaagster op haar verschoningsrecht ongegrond is. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01644 Bv, ECLI:NL:HR:2024:315.

3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen de beslissing van de rechtbank dat het beroep van de klaagster op haar verschoningsrecht ongegrond is;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.