Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
5 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor moord gepleegd in 2020. De verdachte stak de vriend van zijn ex-vriendin meermalen met een mes in diens woning in Den Haag. Het hof legde TBS met dwangverpleging op.
Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en ondersteund door zijn advocaat. De procureur-generaal kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen over het beroep. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie maakte de Hoge Raad gebruik van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 5 maart 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling en TBS met dwangverpleging ongewijzigd blijven.