Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 januari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor belaging van zijn ex-vriendin. Gedurende een periode van elf weken zocht verdachte herhaaldelijk telefonisch en schriftelijk contact met de ex-vriendin, hetgeen werd gekwalificeerd als belaging op grond van artikel 285b lid 1 Sr.
De verdediging voerde onder meer klachten aan over de bewijskracht met betrekking tot de frequentie van de contactpogingen en de innerlijke tegenstrijdigheid omtrent het opzet en het oogmerk van verdachte. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het cassatieberoep is daarom verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest dat verdachte veroordeelt voor belaging blijft in stand.