Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Volgens de T1-documenten en de voor het vervoer opgestelde CMR-vrachtbrieven is de geadresseerde van de machines een bedrijf dat is gevestigd in [S] , Rusland.
Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij e-mails van 2 maart 2016 onder bijvoeging van kopieën van de desbetreffende T1-documenten, CMR-vrachtbrieven en van twee Russische douaneaangiften als bewijs dat de machines in Rusland zijn aangekomen en aldaar voor het vrije verkeer zijn aangegeven.
De Inspecteur heeft bij e-mails van 7 maart 2016 aan belanghebbende meegedeeld dat deze gegevens niet voldoende zijn om de regeling extern communautair douanevervoer te zuiveren of als beëindigd te kunnen beschouwen. Met dagtekening 25 maart 2016 zijn van belanghebbende bedragen aan douanerechten en omzetbelasting nagevorderd.
De Inspecteur heeft deze documenten laten onderzoeken door de Russische autoriteiten. Bij brief van 26 oktober 2016 hebben de Russische autoriteiten meegedeeld dat deze stempelafdruk geen douanestempel is, maar verwijst naar een Russisch bedrijf met die naam. Volgens het onderzoek is noch de stempelafdruk noch de daarbij geplaatste handtekening afkomstig van dat bedrijf.
3.De oordelen van het Hof
Het Hof heeft dat standpunt verworpen. Naar het oordeel van het Hof moet een print van een met gebruikmaking van een geautomatiseerd systeem opgemaakt elektronisch document niet worden aangemerkt als een origineel document maar als een kopie van een elektronisch document. Die kopie moet worden geviseerd om te kunnen dienen als bewijsstuk in de zin van artikel 366 van Pro de UCDW. Het enkele feit dat in Rusland wordt gewerkt met digitale douaneaangiften maakt niet dat uitdraaien uit een Russisch geautomatiseerd gegevensverwerkend systeem als originele documenten in de zin van artikel 366, lid 2, letter a, van de UCDW kunnen worden aangemerkt.
4.Beoordeling van de middelen
a) een in een derde land opgesteld douanedocument waaruit blijkt dat de goederen een douanebestemming hebben gekregen;
Ten opzichte van artikel 365, lid 3, van de UCDW (tekst tot en met 30 juni 2009) is de in artikel 366, leden 2 en 3, van de UCDW opgenomen bewijsregeling niet gewijzigd wat betreft de vereisten aan het bewijs dat de betrokken goederen in een derde land een douanebestemming hebben gekregen. Het leveren van dat bewijs moet blijven gebeuren door overlegging van een in een derde land opgesteld douanedocument dat ten genoegen van de douaneautoriteiten voldoende gegevens ter identificatie van de betrokken goederen bevat en waaruit blijkt dat deze in een derde land een douanebestemming hebben gekregen. Een kopie of fotokopie van dat douanedocument moet door de douaneautoriteiten die het originele document hebben geviseerd, “voor conform” zijn gewaarmerkt. De eis van waarmerken van een kopie of fotokopie voor conform het origineel is – naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is – gesteld opdat de douaneautoriteiten van lidstaten van de Unie ervan verzekerd kunnen zijn dat de in die kopie of fotokopie vermelde douanegegevens authentiek zijn, dus overeenstemmen met de oorspronkelijke douanegegevens.
Middel II faalt.