Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 februari 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van witwassen van een bedrag van €10.159,25, afkomstig uit oplichting. De rechtbank sprak verdachte vrij, maar het hof Amsterdam oordeelde anders en veroordeelde verdachte.
Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat het geldbedrag op een rekening van een derde werd gestort, waarna verdachte vrijwel hetzelfde bedrag opnam en aan een ander overhandigde. Tevens had verdachte met het geld geposeerd op een foto. Verdachte gaf slechts een verklaring over het geld op de foto, dat zogenaamd nepgeld zou zijn, maar deze verklaring werd door het hof als ongeloofwaardig beoordeeld, mede omdat deze pas in hoger beroep werd gegeven.
Het cassatiemiddel klaagde over de bewezenverklaring, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie leidt. De Hoge Raad bevestigde dat het hof het bewijs zorgvuldig had gewogen en dat het oordeel dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep werd dan ook verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling medeplegen witwassen.